Sluiten

Begin

Muiden:

De afbeelding op deze éénzijdge loodjes is waarschijnlijk ontleend aan het stadszegel van Muiden uit de zestiende eeuw: 
een gestyleerd scheepje, geflankeerd door twee bakens - dat mogelijk te maken heeft met betaling van vuurgeld voor een licht dat de ingang van de Vecht markeerde.
De flankerende bakens hebben meestal dezelfde vorm.
Een gesloten toren tot ongeveer halverwege de hoogte en daarboven een spriet met een aantal dwarsstokken.
In sommige gevallen (o.a. 1739) is gepoogd om, net als op het zegel, de torens meer het aanzien van stadspoorten te geven.
De afbeelding is in alle gevallen met een cirkel omkaderd.


Type MB:

      
Redelijk gedetailleerde weergave van een schip met tuigage. 
De romp is opvallend hoog en heeft een forse voorsteven. 
Het heeft in het middeneen hoge mast, waaraan een schuin hangende ra met een opgebonden zeil (of een aantal blokken),
een zeer grote mars, twee toppenanten, stagen, wanten met weeflijnen en stengewanten met weeflijnen, tussen twee torens (vuurbakens?).

Jaartal 17.. , waarvan het laatste cijfer ingeslagen is.

Eénzijdig, diameter ħ 38 mm.
Referentie: Allex Kussendrager, Bakenloden - Voor een veilige route door de Noordelijke-Nederlanden. Muiden, type MB pagina 54.

jaar bijzonderheden
1720 gevonden bij Muiden. 40 mm. Veiling NPV 30 mei 2005 lot 539
1728 de 8 van 1728 geklopt. Bovenaan IO geklopt, diameter 38 mm, massa 14,74 gram.  HAE veiling 78 lot #2924, collectie MB03
1733 gevonden op de vuilstort in Diemen, colAMB01
1736 gevonden op een akker bij Marknesse door dhr. Wielhouwer.
Veiling Westerhof / v.d. Dussen 3-1985 nr. 1659 → veiling L. Schulman 7-1991 nr. 1398 → colAMB02.
Jaarboek Munten en Penningen 1987 blz. 612

Het loodje uit 1733 heeft meer reliëf als het exemplaar uit 1736, maar zijn beide met hetzelfde muntstempel geslagen.
Hieruit zou de volgende conclusie getrokken kunnen worden: 
Er werden naar behoefte (jaarlijks) loodjes geslagen waarvan alleen het laatste cijfer van het jaartal ingevuld hoefde te worden.
Na drie jaar was het muntstempel al aanzienlijk versleten.
Een andere suggestie zou kunnen zijn dat er in één keer een grote hoeveelheid loodjes is geslagen en dat men jaarlijks uit deze voorraad putte.
Het is dan wel erg toevallig dat het oudste loodje het scherpst is. De laatste veronderstelling lijkt mij vooralsnog niet erg waarschijnlijk.

Sluiten

Begin

Muiden verkreeg op 14 december 1662 toestemming van de Staten van Holland om een lantaarn of vuurtoren op te richten aan de monding van de Vecht.
De stad kreeg daarvoor 120 gulden per jaar van de provincie. In 1715 was de vaargeul zodanig verlopen, dat de lantaarn verplaatst moest worden. Bovendien klaagden de schippers dat het licht te klein was.
Op 19 September 1715 verkreeg Muiden van de Staten van Holland een octrooi van 30 jaar, om van de passerende schippers lantaarngeld te innen a 10 stuivers per schip per jaar.
Ballast- of zandschepen moesten 6 stuivers per jaar betalen. De jaarlijkse bijdrage van 120 gulden kwam hiermee te vervallen (Oud Archief Muiden [OAM], inv.nr. 300b).
Tot 1715 had de stad een vuurbaak opzigter in dienst, die in 1712 een jaartractement van 20 gulden kreeg. Daarna werd het onderhoud en het innen van het vuurgeld verpacht.
In 1733 bedroeg de pacht 260 gulden, in 1769 was dit 270 gulden (OAM, thesaurierboeken; voorgaande informatie is afkomstig uit het ongeïnventariseerde oud archief van Muiden).

 

Sluiten

Begin