Het tekstgedeelte van deze site is nog volop onder constructie!!!! Tip: om snel iets te zoeken in dit hele verhaal toets Ctrl+F en vul de zoekopdracht in
Eén van de aanleidingen tot het schrijven van dit verslag met de
bijbehorende catalogus, was de tentoonstelling "Geld van de
Zuiderzeebodem" in het Provinciehuis van Flevoland in Lelystad.
Deze tentoonstelling was opgezet door het Centrum voor Scheepsarcheologie in
Ketelhaven als bijdrage tot het Numismatisch Jaar 1992.
In de loop van de jaren had ik zelf al enkele loodjes verzameld en op de
hiervoor genoemde tentoonstelling was het eindelijk mogelijk wat
achtergrondinformatie te vergaren.
De hoeveelheid gegevens was tot die tijd summier. In musea was namelijk zo goed
als geen achtergrondinformatie voorhanden. Ook oproepen in numismatische
tijdschriften om informatie hadden weinig resultaat. Door kontakten met andere
verzamelaars, detectoramateurs, musea, enz. heb ik toch wat meer feiten boven
water kunnen krijgen.
Vooral de kontakten met, en het bezoek aan het Scheepsarcheologisch museum te
Ketelhaven (met name de gesprekken en correspondentie met de heer André
Wijsenbeek) hebben mij gemotiveerd om door te gaan op de ingeslagen weg.
Sommige instellingen waren namelijk ook bijzonder enthousiast dat er eens
aandacht werd besteed aan een stukje ondergeschikte numismatiek.
In dit boek zullen sommige gegevens in meerdere hoofdstukken voorkomen. Dit heb ik bewust zo gedaan / gelaten, aangezien dit verslag eerder een functie zal hebben als naslagwerk, dan dat het zich laat lezen als een "roman".
Ik hoop dat dit verslag een nieuw
licht zal werpen op een ondergeschikt, maar bijzonder interessant onderdeel in
de numismatiek van het zeevarend Nederland.
Allex Kussendrager.

Vuur zal men in onze streken rond de Noordzee vrijwel dagelijks nodig hebben
gehad, niet alleen voor het bereiden van eten maar ook voor warmte en niet te
vergeten voor licht in de lange donkere nachten.
Iemand zal toen wel op het heldere idee gekomen zijn vuur uit de stookplaats te
nemen om daarmee de zoekende vissers bij te lichten en de plaats te wijzen waar
ze aan land konden gaan.
Deze ervaringen werden niet op schrift gezet, want het waren zulke voor de hand
liggende dingen en de gemeenschap was zo klein dat er geen enkele behoefte toe
bestond.
Eerst zal men ook nog niet ver van huis zijn gegaan, want vis was er genoeg,
bijvoorbeeld in de brede mond van de Maas, waarin ook de Schelde en de Waal hun
water loosden.
Op plaatsen waar de mensen samen gingen wonen ontwikkelde zich van lieverlede
een orde, een gemeenschap met afgesproken regels en pas toen werd schrijven
belangrijk.
Men legde dan met tekens de afspraken vast zodat dit kon worden doorgegeven aan
de volgende generaties.
Al van vóór die tijd stamt het, vooral bij donkere maanloze nachten, ontsteken
van vuren die van veraf zichtbaar waren.
Deze vuren waren bestemd voor de eigen mensen en ze werden gedoofd zodra iedereen
weer veilig thuis was.
Een simpel houtvuur of een vuur van een ander gemakkelijk verkrijgbaar
brandbaar materiaal zoals turf of mest.
De overgang van het vuur voor huishoudelijk gebruik naar het verkenningsvuur
voor plaatsbepaling zal heel geleidelijk zijn gegaan.
Zo'n vuur werd slechts ontstoken als het nodig was voor de terugkomst van de
schepen.
Eerder zullen er al tekens zijn opgericht, merken voor overdag, en stokken en
tonnen om op het water ter plekke te waarschuwen voor ondiepten.
Voor het eerst is hierover schriftelijk wat vastgelegd door de Romeinen.
De Romeinen bouwden in ons land vuurtorens, niet alleen voor de vissers, maar
ook voor de oversteek naar Engeland en voor het kunnen vinden van de monding
van de Rijn bij Katwijk.
Ze bouwden burchten en het is vrijwel zeker dat aan het grote kasteel
Brittenburg een hoge toren is gebouwd waarop een vuur brandde.
In de 18e eeuw spraken vissers uit Katwijk nog over de toren van Kalla, waarvan
de ruïnes op enige afstand uit
de kust hinder opleverden doordat hun netten er achter bleven haken.
De naam Kalla kan een aanwijzing zijn dat de vuurtoren tijdens het bewind van
keizer Caligula (37-41 na Chr.) gebouwd is.
Evenals van deze vuurtoren zijn de mogelijke bewijzen voor de eerste
vissersvuren langs de kust door zware overstromingen en de daardoor
teruggedrongen kustlijn volledig weggevaagd.
De voortdurende veranderingen in de zeegaten en de riviermondingen waren
kenmerkend voor de vroegste geschiedenis van ons land.
Duidelijke bewijzen over kapen en vuurbaken komen pas als zaken worden
beschreven, wat direct verband houdt met de groeiende en bloeiende scheepvaart
en handel.
In de begintijd was het varen veel belangrijker dan we misschien zouden denken.
Ons land was, vooral in het westen en het noorden, door de vele moerassen en
veenplassen, een moeilijk begaanbaar gebied.
De hoger gelegen gebieden waren dicht bebost en er was dus veel durf en
inspanning nodig om met kostbare goederen over land van de ene naar de andere
plaats te gaan.
De natuurlijke waterwegen, de rivieren en de kreken, waren wat dat betreft
veel aantrekkelijker.
Vijanden en rovers moesten tenminste ook over goede schepen beschikken om de
goederenstromen te verstoren en dat was een handicap, die in het voordeel van
de ontwikkelde steden uitviel.
In die tijd was het dus veiliger en gemakkelijker om over het water te gaan in
plaats van over land. Bovendien waren juist de rivieren en meren op hun beurt
weer onoverkomelijke hindernissen voor het landverkeer. Vandaar dat de
ontwikkeling toen geheel door de loop van het water werd bepaald, iets wat we
ons nu haast niet meer voor kunnen stellen.
De huidige toepassing van bruggen, viaducten, tunnels en wegen staan,
letterlijk en figuurlijk, haaks op de destijds door het varen gestimuleerde
ontwikkeling.
Tot diep in het binnenland bevonden zich de handelsplaatsen, allen via de
rivier bereikbaar:
Maastricht, Venlo, Roermond, Nijmegen, Zutphen, Deventer, Hasselt, Zwolle,
Kampen, Harderwijk en Elburg.
Zij hadden groot belang bij een vlot en veilig scheepvaartverkeer. Zodra die
zich ging uitstrekken tot de Oostzee en naar Engeland en Frankrijk, met als
achterland het Rijnland, werd de verkenning van de kust ook voor dat achterland
belangrijk. Daarom zijn overal langs de kust al in de middeleeuwen vierboeten en kapen opgericht: Nieuwpoort, Blankenberge, Heist, Westkapelle,
Schouwen, Goedereede, Den Briel, Ter Heyde, Scheveningen, Katwijk, Noordwijk,
Egmond, Huis-duinen, Texel, Vlieland en Terschelling.
Soms werden ze met name genoemd, soms stonden ze op oude kaarten of was er
sprake van het heffen van vuur- en bakengeld, één van de
inkomstenbronnen van de landgraven.
Sommige waren alleen van plaatselijk (vissers)belang, andere voor de doorgaande
scheepvaart.
Op 28 september 1323 verklaarde Claes Richter van der Schellinge, dat er "een
voerhuys oft ein mercke" op zijn eiland geplaatst was, dat door de
stad Kampen bekostigd was en dat de burgers van deze stad daarom nooit tol
zullen hoeven te betalen als zij het Vlie in- of uitzeilden. Op het volledige
afschrift in het Privilegieboek kom ik nog terug in één van de volgende
hoofdstukken.
Bakengeld was al heel vroeg in de Nederlandse geschiedenis bekend: een Schepenbrief van Steenbergen, van 18 mei 1337 legt vast dat een bepaalde jaarrente zal worden gebruikt als bakenghelde, die diepe mede te bakenne van Steenberghen noertwaart tot der Strienen toe ...enz. Ook voor de kosten van het instandhouden van de bebakening werd dus het woord bakengeld gebruikt. (Uit: Oude Vaderlandse Rechtsbronnen, mr. W. Bezemer: Oude rechten van Steenbergen. 's-Gravenhage, M. Nijhoff, 1897.)
In 1421 maakte de Elizabethsvloed een einde aan de polders van de Grote
Waard als landbouwgebied. De vloed verzwolg zestien kerkdorpen en De Biesbosch
werd een ondiepe watervlakte van ongeveer tien bij veertig kilometer.
Aanvankelijk kon iedereen in de Biesbosch, toen Bergse Veld geheten, vissen,
kennelijk omdat nog steeds het plan bestond de polders terug te winnen. Pacht
werd niet geïnd.
Pas in 1516, bijna honderd jaar na de ramp, verzoende men zich met de situatie,
werd de hoofdfunctie van de Biesbosch visserij en moest aan de eigenaar, graaf
Van Nassau, pacht worden betaald.
De zalmvisserij in de Biesbosch was tot aan 1795 in handen van de prinselijke
stad Geertruidenberg. Het stadje kwam door de zalm tot redelijke welvaart,
zelfs in tijden dat er weinig zalm werd gevangen, want de prijs bleef hoog.
De vissers waren verplicht hun waar in Geertruidenberg te laten afslaan,
waarbij vijf procent stedelijke belasting werd geheven: de twintigste penning.
Gemiddeld zo'n kwart van de stadsinkomsten kwam uit deze zogenoemde ingelden en
in de beste (zalm)jaren in de zeventiende eeuw zelfs meer.
Geertruidenberg was een belangrijk zalmcentrum in de lage landen, met gestaag
groeiende export naar Antwerpen, Mechelen, Brussel, Gent en Leuven.
De Biesbosch verzandde in de loop der eeuwen en terwille van de scheepvaart op
Dordrecht werd in 1870 de Nieuwe Merwede verdiept en verbreed.
De zalm nam om te trekken voortaan de Nieuwe Merwede, en het was met de
zalmvangst in de benedenrivieren gedaan.
In het Groot Placaatboek 1, blz.1032, uit 1615 is het volgende te lezen: Niemant
(sal hem)... in eenige Schepen mogen begeven, omme de selve binnen de Zee-gaten
deser Landen aende Zuyder Zee streekende te brengen, ten zy dat hy daer toe ...
sal zijn gheadmitteert, sijnen Name aengeteekent, ende een Lootsmans teycken,
ende Numero van 't Loot hier toe specialijck te doen maecken, sal hebben
ontfangen.
I De geschiedenis van de verlichting, bebakening en betonning langs de Hollandse kust.
Hout als brandstof.
Bij de eerste vuurbakens werd vrijwel uitsluitend hout als
verbrandingsmateriaal gebruikt. Het was materiaal dat de natuur zelf leverde,
waardoor het goedkoop was.
Zonder een ingewikkelde inrichting kon het worden verwerkt. De vuurkorf was
voldoende.
Het was al een grote vooruitgang hout te verbranden op een rooster in een in de
toren gebouwde schacht, van waaruit de oplaaiende vlam omhoog sloeg.
Hout werd verbrand in de Pharos van Alexandrië, in de Romeinse vuurbaken en
waarschijnlijk ook al in de toren van Falsterb` bij zijn eerste verlichting in
de jaren 1202 - 1223.
Stukken hout, brandbare afval van allerlei aard, vaak met teer doordrenkt, in
korven van ijzeren stangen gemaakt, vlamden helder op.
Bij donker weer was dit twee tot drie zeemijl zichtbaar; bij wind en storm
ontwikkelde dit schijnsel zich ongunstiger.
Het vuur werd dan afwisselend door de wind hel opgelaaid, dan weer inzinkend
door de dikke rook gedeeltelijk verstikt.
Verlichting door middel van kaarsen.
Het gebruik van talk- en waskaarsen is zeer oud. De vuurbaken waarvan sprake is
dat zij door Kloosterlingen en Kluizenaars (Heremiten) werden bediend en
onderhouden, (Cordouan en C`sling) kunnen zeker als kaarsverlichting in kleine
handlantaarns worden aangemerkt. Zelfs in de grote lantaarns welke aan houten
opstellingen moesten worden opgehesen, zoals in 1286 te Neuwerk, werden kaarsen
gebrand. Het is zeer waarschijnlijk dat in de oudste torens van de
middeleeuwen, zoals die op Meloria (1157) aanvankelijk kaarsen hebben gebrand.
Ongeacht het grote ongemak dat kaarsen van tijd tot tijd gesnoten moesten
worden, hield de kaarsverlichting lange tijd stand tegen de kolenverlichting en
de ouderwetse olielampen met pitten, speciaal in die streken waar kolen of hout
schaars waren of het transport en de opslag grote kosten met zich mee bracht.
Vandaar is het te verklaren, dat op zo’n belangrijk punt als Eddystone, welke
toren na elke verwoesting steeds weer door een nieuwe werd vervangen, de als
bouwwerk zo uitmuntende toren van Smeaton in 1759, slechts talkkaarsen als
lichtbron kreeg en deze tot 1817 onderhouden werden. Er brandden 24 kaarsen in,
elk met een middellijn van ongeveer 13 Engelse duim (32 mm).
Hoe ver, zelfs bij heldere lucht, kunnen deze 24 kaarsen, die de hele horizon
verlichten, zichtbaar zijn geweest? Niet veel verder dan slechts één enkele
kaars, nl. 2,4 tot 2,8 mijl bij heldere lucht.
Door het aantal van deze kaarsen te vergroten werd het vuur slechts binnen deze
grenzen duidelijker kenbaar.
De Steenkolenvuren.
Het eerste zekere bericht over het gebruik van steenkool, is over het Zweedse
vuurbaak te Kullen in 1560.
Voor Engeland gaan de berichten daarover niet zo ver terug in de geschiedenis.
Dungeness was in 1616 het eerste Engelse steenkolenvuur.
Omstreeks 1650 komt steenkool als een handelsartikel naar Duitsland en wordt
spoedig ingevoerd als verbrandingsmateriaal op de Duitse vuurbaken, waardoor de
kaarsverlichting o.a. op Neuwerk en Helgoland wordt verdrongen.
Tot het einde van de 18e eeuw en in Zweden zelfs tot het midden van de 19e
eeuw, komt steenkool als het beste verbrandingsmateriaal voor.
Waaide de wind langere tijd uit één richting dan brandde het kolenvuur aan één
zijde, n.l. aan de loefzijde, zwart.
De kolenvuren verlichtten nog meer dan de houtvuren de mist welke om de toren
hing, waardoor een rode schijn ontstond, ofwel de wolken boven de toren
weerkaatsten op hun beurt het licht.
Het zicht was beperkt; voor Courdouan bedroeg dit bij gemiddelde lucht, 5 à 6
zeemijlen. Ondanks de "beperkingen" waren deze vuren voor de langzaam
varende zeilschepen van grote waarde.
De grote overgang van steenkool op olieverlichting en de daaruit voortvloeiende
noodzakelijke verbouwing van de oude vuurbaken begon rond 1792, nadat in 1783
door de Zwitserse schei- en werktuigkundige Aimé Argand (geboren te Genève in
1755 en overleden in Engeland in 1803) een olielamp was samengesteld met
buisvormige gevlochten pit, zodat de olie met een ringvormige vlam brandde.
Rondom deze vlam werd een glazen schoorsteen, het door hem uitgevonden
lampeglas, aangebracht, zodat de vlam inwendig en uitwendig een regelmatige
luchttoevoer ontving.
Op deze manier werd een veel rustiger en beter licht verkregen.
De ouderwetse olieverlichting.
De oudste oorkonde welke spreekt over het gebruik van olie op een lichttoren,
dateert van 13 maart 1282. Deze heeft betrekking op de aan zee gelegen
lantaarntoren van de haven van Pisa en is een contract tussen de Consul van de
genoemde stad en de Prior van een klooster, waarbij werd bedongen, dat de Prior
de dienst en het onderhoud overneemt, terwijl de stad Pisa zich verplichtte om
olie, pitten, enz. te leveren en ook een bedrag tot schadeloosstelling te
betalen.
Het in 1602 op Wangeroog ingerichte vuur, dat op aansporing van de stad Bremen
was opgericht, had oorspronkelijk olielampen in een lantaarn van glazuur.
Het licht voldeed echter niet, zodat zeer spoedig een baak met steenkoolvuur
naast de toren moest worden opgericht, totdat in 1687 een nieuwe toren voor
steenkool werd gebouwd.
Het eerste olievuur, dat een goed effect sorteerde en door schepen zeer werd
geroemd, was het olievuur op Orskär in Zweden, gebouwd in 1687 en voorzien van
olielampen met schijnwerpers.
De oorspronkelijke houten toren werd in de jaren 1738 - 1740 door een stenen
vervangen welke waarschijnlijk niet de hele horizon verlichtte en vijf grote
concave reflectoren kreeg van 1 el 2 duim opening met zes lampen voor elke
reflector. Het is begrijpelijk, dat voor die tijd, dit stelsel een buitengewoon
licht in zee verspreidde.
De lampen waarin olie werd gebrand, waren tegen het einde van de 18e
eeuw de nog weinig verbeterde ouderwetse lampen met ronde, later met platte
pitten.
Door de ronde pitten te vervangen door platte, iets waar men pas in 1763
aandacht aan schonk, werd door het olieverbruik de helderheid van de lamp iets
vergroot.
Ook trachtte men door het aanbrengen van schijnwerpers de werkingssfeer van de
lamp te vergroten.
De grote doorbraak op dit gebied werd in 1783 gedaan door de uitvinding van de
lamp met dubbele luchttrekking door Argand.
Zeemerken.
Behalve het voorgaande over vuurbaken en lichttorens is er ook al vroegtijdig
sprake van "zeemerken". Deze moeten in het gebied van de monding van
Rijn en Maas al in 1284 hebben bestaan. In het boek "Seezeichen" van
dr. Alfred Hiebel wordt vermeld dat in het genoemde jaar Graaf Floris V van
Holland de stad Dordrecht al ontheffing verleende voor "Baken en
Geleidegeld" ("van bakiinghelde jof van gheleede").
In de 15e eeuw had de stad Amsterdam 60 tonnen en 4 zeemerken in de Zuiderzee
uitgelegd.
In 1452 gaf Hertog Philips van Bourgondië de stad toestemming om voor het
onderhoud van deze zeemerken een zekere belasting te heffen.
Vuurbaken moeten op de Maas al in de 14e eeuw hebben gebrand.
Met de opbloei van de Nederlandse scheepvaart in de 16e en 17e
eeuw valt ook de oprichting van meerdere vuurbaken samen.
In 1512 werd de ingang naar Goeree aan de Maasmonding bevuurd en in 1594
Terschelling, het meest vooruitspringende punt aan de Noordzeekust.
Spoedig daarop volgen dan de vuren bij de stijgende ontwikkeling van de
scheepvaart na de succesvolle strijd tegen de Spanjaarden.
In 1617 volgt Urk met een kolenvuur op een ijzeren toren; in 1800 krijgt het
een lampenapparaat; in 1845 een Fresnel's apparaat, n.l. een vast vuur met
lichte glans.
Vóór 1620 heeft Hindelopen, aan de Zuiderzee, een havenverlichting.
Vóór 1636 volgen Vlieland met een kolenvuur gedurende de wintermaanden. In 1843
een Fresnel's apparaat van de vierde orde.
Scheveningen heeft een kolenvuur op een stenen toren gedurende de wintermaanden;
in 1824 een parabole met Argandse lamp; in 1850 een Fresnel's apparaat der 3e
orde; in 1875 één van de 2e orde, n.l. een schitterlicht wit en rood op een
ijzeren toren.
Egmond heeft weer kolenvuren gedurende de wintermaanden, naast elkaar geplaatst
als "tweelingsvuur"; in 1833 twee stenen torens, waarvan alleen de
meest zeewaarts gelegen toren verlicht was met een Fresnel's apparaat van de 3e
orde. De landinwaarts gelegen toren diende overdag als "merk inéén".
Zanddijk, een kolenvuur gedurende de wintermaanden; in 1822 werd een stenen
toren opgericht voorzien van 26 parabolen met Argandse lampen; in 1852
vervangen door een Fresnel's apparaat van de 1e orde en in 1878 een ijzeren
toren met een Fresnel's apparaat van de 1e orde.
De vuurtoren "De Ven" op de Gelderse Hoek tussen Andijk en Enkhuizen
bestond op 1 juli 1950 tweehonderdvijftig jaar.
In het jaar 1700 besloten commissarissen tot de pilotage, als gevolg van een
verzoek van alle zeevarenden op de Zuiderzee, tot het stichten van deze vuurtoren.
De bouwkosten werden geraamd op ƒ16000.- waarin de Staten van Holland de helft
zouden bijdragen. De commissie kreeg toestemming voor de heffing van een
vuurgeld van alle schepen, die de Zuiderzee bevoeren, bedragende 32 stuivers
per jaar voor schepen van 12 last en groter en 16 stuivers voor kleinere
vaartuigen.
De verlichting geschiede in het begin met brandende takkenbossen. Later werden
tuitlampen gebruikt, daarna patentolie, vervolgens petroleum, blauwgas en
vervolgens propaan.
West-Schouwen heeft een vuur in 1744; in 1861 een Fresnel's apparaat van de 4e
orde.
Goeree in 1510 een kolenvuur; in 1834 een Fresnel's apparaat van de 2e orde en
in 1879 een van de 1e orde.
Hieronder volgt nog een overzicht van de verschillende karakters van de lichten
omstreeks 1900:
Een vast licht is
onveranderlijk van dezelfde sterkte en kleur.
Draailichten kunnen
onderling in karakter verschillen, als volgt:
1. een gewoon draailicht, tonende
elke 2, 1 of 2 minuut een gaandeweg in sterkte toenemend en tevens afnemend
licht, gevolgd door een verduistering ("revolving");
2. een schitterlicht, tonende een
aantal schitteringen, enkel of in groepen van 2, 3 enz. wit, rood of
afwisselend wit en rood, de groepen gescheiden door verduisteringen (flashingen
"group flashing");
3. een vast licht met schitteringen,
tonende een vast licht, wit of rood, regelmatig afgewisseld met een witte of
rode schittering voorafgegaan en gevolgd door een korte verduistering (fixed en
flashing);
4. een vast licht met verduisteringen,
een plotseling verschijnend en plotseling verdwijnend licht; enkel of in
groepen (occulting en "group occulting");
5. een wissellicht, beurtelings
meestal rood en wit, zonder verduistering ("alternating").
De lichten worden onderscheiden in zes grootten, naar gelang de middellijn van
het toestel, respektievelijk 1.84, 1.40, 1.00, 0.50, 0.375 en 0.30 m.
Kustlichten worden genoemd de lichten van de 1e, 2e, 3e en 4e grootte.
Bakenlichten zijn de lichten van de 5e en 6e grootte en voor bijzondere doeleinden ook die van de 4e grootte, bijvoorbeeld als "verklikker".
Kaarten in het Scheepvaart Museum.
In het Scheepvaart Museum te Amsterdam bevinden zich diverse kaarten welke
een overzicht kunnen geven over bakens en vuren welke zich langs en in de
Hollandse wateren bevonden.
Hieronder volgt een overzicht.
Kaart:
Z II a1 - 102: 1634 Amsterdam 6 Hamburg, geen bakens.
Z II a1 - 73: 2e helft 17e eeuw, N-Zuiderzee
Z II a1 - 79: 1665, Rotterdam tot zee
Z II a1 - 85: " 1694 Zuiderzee geen bakens (zie ook atlassen van Van
Keulen).
Z II a1 - 81: 1773, Maas tot Texel, merken, vuren, e.d.
Z II a1 - 9: na 1780, G. Hulst van Keulen
Mits vermeld altijd
aangeduid als vuur:
- Harlingen
- Workum
- Stavoren
- Lemmer
- Urk vuurtoren, in 1617
steenkolen, overgenomen in 1699
- Ens op Schokland
- Muyden
- tussen Durgerdam (lantaarn
op de) en Vytdam, traan en raapolie
- eiland Marken vuurtoren
(steenkolen vuur)
- Edam
- Gelderse Hoek (bij
Enkhuysen) vuurtoren (lantaarn)
- Medemblik
- Noordoost Vlieland
vuurbaak (buitenvuur meestal op steenkool,
- West Derschelling vuurbaak
(waarschijnlijk geen vuurloden.)
Z II a1 - 18: 1849 (twee stukken) Zuidelijke Zuiderzee
Z II a1 - 19: 1849, A. van Rhijn.
Tenzij anders vermeld
altijd aangeduid als vuur:
- Willemsoord vuren
- ten oosten van Kolhorn
- Medemblik
- Vuur van de Ven = Gelderse
Hoek bij Enkhuizen
- Enkhuizen vuren
- Broekerhaven
- Hoorn
- Edam
- Marken
- ten oosten van Durgerdam
- Muiden
- monding Eem
- haven van Nykerk vuren
- Harderwijk
- Elburg vuren
- zuidelijke tak monding
IJssel + in Zuiderzee (roodvuur)
- Zuid-Schokland
- ten Noorden van Schokland
baken (is geen vuurbaken, omdat er geen licht bij afgebeeld is)
- Urk draaivuur, vuren
- Ganzediep vuren
- In het Zwolsche Diep vuren
van Krachenburg = ingang Zwarte Water
- ingang haven Blokzijl (in
zee)
- ten westen van Kuinre
- De Lemmer vuren
- Stenen Kaap nabij Stavoren
- Hindelopen
- Harlingen vuren
Z II a1 - 25: 1861, Zuiderzee
Z II a1 - 50: Zeegaten Vlieland, Terschelling, Ameland →
Harlingen en Zuiderzee
Z II a1 - 27: 1884, Zuiderzee, Wed. G. Hulst van Keulen.
Vuren op kaart in geel
met rode streep aangegeven.
- West-Terschelling
Brandaris
- Oost-Vlieland
- Noord Texel kijkpaal
draaivuur Eyerlandse huis
- Z.O. Texel nabij Oude
Schild
- Zuid Texel twee maal ten
zuiden Hoorn
- Zuid Wieringen
- Kolhorn twee lichten
- Medemblik havenvuur
- Vuur van De Ven
- Enkhuizen
- Broekerhaven ten oosten
van de acht molens
- Oosterleek Leekerhoekvuur
- Hoorn
- Edam
- Volendam
- In Goudzee (tussen Marken
en vasteland)
- Oost Marken
- Durgerdam vuur van het IJ
- Muiden
- Huizen havenlicht
- monding Eem
- haven van Nijkerk
- Harderwijk
- Elburg
- monding IJssel ten westen
van Kampen vuren
- nog meer ten westen (bijna
onder Schokland) roodvuur
- Zuid Schokland
- Noord Schokland
- Urk
- Ganzediep vuren
- In Zwolsche Diep vuren
Kragchenburg
- Blokzijl
- Kuinre twee havenlichten
- ten westen op landpunt
- De Lemmer
- Stavoren
- Workum
- Surig Twee V.LD
- Harlingen rood en wit
licht
Z II a1 - 69: 1888, Haringvliet, Krammer, Volkerak & Hollandsdiep.
De Brandaris.
In 1994 bestond de Brandaris op Terschelling vierhonderd jaar. De eigenlijke
geschiedenis van de Brandaris begint echter al meer dan 650 jaar geleden.
De huidige vuurtoren heeft namelijk al twee voorgangers gehad, hoewel de tweede
al voor zijn voltooiïng instortte.
Het was niet in het belang van de eilandbewoners om zo'n markant baken voor de
scheepvaart op te richten. De scheepvaartbelangen waren gevestigd in de rijke
koopmanssteden aan de Zuiderzee.
Van daar kwam het geld voor de oprichting en instandhouding van de wegwijzers
langs het Vlie, de belangrijkste route tussen Zuiderzee en Noordzee. Maar
geldgebrek, verval en instortingsgevaar door dreiging van de zee vormen de rode
draad in de geschiedenis van de vuurtorens.
Hierna wordt de geschiedenis beschreven van de drie Brandarissen tot en met de
tijd van Koning Willem I, onder wiens bewind de kustverlichting een reguliere
taak van de overheid werd.
Het is 28 september 1323. Tussen de rijke koopmansstad Kampen, die halverwege
de veertiende eeuw deel uit zou gaan maken van het Hanzeverbond, en
Terschelling wordt een overeenkomst gesloten.
In deze overeenkomst, met als titel "Vander kapen opter
Schellinghe", wordt vermeld dat er is opgericht een "voerhuijs
oft eijn mercke", een bouwwerk voor het begeleiden van de scheepvaart.
De Kampenaren hadden alle belang bij een veilige passage van het verraderlijke
Vlie, dat volgens de oorkonde al heel wat schepen en mensenlevens had geëist.
Daarom stelden zij de stenen en het hout beschikbaar, op voorwaarde dat zij
voortaan zouden zijn vrijgesteld van het betalen van bakengeld.
Als vertegenwoordigers van Terschelling traden o.a. op ene Claes, die zichzelf "Richter
vander Schellinghe" noemt, "sinen mederichter ende dat
menelant vander Schelinghe".
Of het "voerhuijs" er meteen is gekomen is in het Oud-Kamper
archief niet terug te vinden. Het is ook niet bekend of het een stenen toren
was.
Pas
in 1559, ruim 230 jaar later vernemen we weer iets over deze eerste Brandaris.
De rol van Kampen is dan al uitgespeeld en overgenomen door Amsterdam, dat in
1452 van Philips van Bourgondië het privilege van het "paalkistrecht"
kreeg.
De Amsterdamse Vroedschap besloot op 21 september 1559, de vervallen toren op
haar kosten te repareren, omdat de "Sinte Brandaris toorn opden
Scellinck de welcke een kundige baeck van outs es gheweest in 'pericule zoude
wesen te vervallen". Voorwaarde hierbij was echter wel dat de inwoners
van "Ste Brandariuskercke ofte prochie" honderd of meer wagens
wier zouden leveren. Het ging tenslotte ook om het behoud van hun kerk. De
vraag om wier wijst op een bedreiging door de zee. Wier was in die tijd een
veel gebruikt materiaal tegen de oprukkende zee.
Er wordt uitdrukkelijk over een toren gesproken en opmerkelijk is dat het dorp "Sinte
Brandarius" heet, de naam die later over zou gaan op de toren. Hier
wordt hij nog de toren van het dorp S. Brandarius genoemd, op dezelfde manier als
bijvoorbeeld "de Dom van Utrecht".
Het water kwam snel dichterbij, wat de Staten van Holland op 21 januari 1593
deed besluiten om "een stuck landewaerts" een nieuw, "principael
baeck" te bouwen.
De eerste Brandaris stond aan de zuidwest-zijde van het dorp, sterk bedreigd
door de afslag van het voorland. De hoogte van de nieuwe toren werd gesteld op
28 vadem, zo'n 48 meter.
Men zou proberen de oude toren in stand te houden tot de nieuwe klaar was.
Dit lukte niet, want al een dag na de bovengenoemde datum sloeg de zee toe en
ondermijnde de eerste Brandaris zodat deze was "Omghestort en in zee
ghevallen".
Om ongelukken te voorkomen besloot men om een tijdelijk baken, een houten kaap,
op te richten. Er zijn helaas geen dokumenten waaruit blijkt dat deze er inderdaad
gestaan heeft.
Het lijkt aannemelijk, want op 17 februari 1593 gaan er berichten uit van het
voornemen, ook naar het buitenland. Men kan stellen dat dit toch wel
verplichtingen schept.
Tegelijkertijd wordt aangekondigd dat er een nieuwe stenen toren zal worden
gebouwd.
De tweede Brandaris moet in vijf maanden worden opgeleverd, een
onwaarschijnlijk korte tijd voor een dergelijk kolossaal bouwwerk. De aannemer
is Pieter Albertsz Clock uit Medemblik.
De tweede Brandaris bereikte nooit zijn voltooiïng. Door een combinatie van
teveel haast en gebruik van slechtte bouwmaterialen stortte hij halverwege de
bouw in. Hierbij bleven "ses Persoonen doot".
In 1594 begint de bouw van de huidige Brandaris, onder slechte omstandigheden.
Het begin van de bouwperiode wordt gekenmerkt door meningsverschillen over het
bestek, de fundatie en de te gebruiken materialen. Uiteindelijk moet een
geschillencommissie een voor beide partijen bindende uitspraak doen.
De aannemer verliest de slag om de fundamenten, want de toren moet worden
gebouwd op het voetstuk van zijn ingestorte voorganger.
Al in 1593 was het besluit genomen de toren geschikt te maken om er een vuur
(licht) op te branden.
Op 20 februari 1597 wordt de allereerste lichtwachter aangesteld tegen 20
ponden Vlaams (ƒ 120) per jaar.
De toren heeft een tentvormige kap gekregen, met daarop een lantaarn. Het licht
in de lantaarn wordt gevoed door kaarsen en het zal niet erg sterk zijn
geweest.
Rond 1605 wordt op kosten van de dorpsgemeenschap een 1033 kg wegende luidklok
aangebracht, om die "in tijden van nood van enige schepen te kleppen,
en door dien het volk overhoop te vergaderen (op te roepen) om dezelve
schepen, en volk, te helpen salveren (bergen en redden) zoveel doenlijk
zal wesen". Er is ook om een uurwerk gevraagd, maar dit zal nog even
duren.
Al in 1615 wordt naar voren gebracht dat de Brandaris dringend aan een
herstelbeurt toe is. Het zal echter tot 1671 duren, voordat met de
reparatiewerkzaamheden begonnen wordt. Tussentijds wordt de toren verscheidene
malen "gevisiteerd" (aan een onderzoek onderworpen) met name
door het College van de Pilotage benoorden de Maze. De hieruit voortvloeiende
rapporten geven de noodzaak tot reparatie herhaaldelijk aan, maar tot echte
daden komt het niet. Het grote twistpunt is de vraag, wie voor de kosten moet
opdraaien. Genoemd College, opgericht in 1615 voor de verbetering van de
kwaliteit van de loodsen, stelt in 1618 vast dat de kaarsenlantaarn op de
Brandaris niet voldoet. Hij kan naar de mening van de commissie maar het beste
verdwijnen, evenals de houten kap, om voortaan op het zo ontstane plat een vuur
te kunnen stoken, net zoals op de torens van de andere zeegaten wordt gedaan.
Dat dit nooit gebeurd is, valt af te leiden uit het feit dat in het eerste
kwart van de zeventiende eeuw in de westelijke duinen een vuurboet wordt
opgericht, gestookt met steenkool.
Op 20 augustus 1666, tijdens de Tweede Engelse Oorlog, wordt vrijwel heel
West-Terschelling door de Britten platgebrand. Slechts de Brandaris, de
gereformeerde kerk en zo'n dertigtal woonhuizen overleven de "Engelse
Furie". De toren staat dan nog steeds aan de noordzijde buiten het
dorp.
In een bewaard gebleven journaal noemen de Engelsen het dorp net zo als in de
toen al meer dan een eeuw oude stukken, namelijk "A Capital Town called
Brandaris".
Op 19 december 1668 nemen de Staten van Holland het besluit om voortaan van 1
september tot 1 april van zonsondergang tot zonsopgang op de torens te vuren.
Op Terschelling moet een vuurboet worden ondehouden met daarnaast een licht van
kaarsen of lampen op de Brandaris. Blijkbaar is de toren dan een dagmerk. De
gebruikers (schippers) moeten de kosten betalen, maar mogen deze doorberekenen
in de tarieven.
Enkhuizen neemt het voortouw om de Brandaris nu eindelijk eens een grondige opknapbeurt
te geven. Besloten is, dat de kosten hiervan zullen worden betaald uit het
vuurgeld.
Een mooi initiatief, maar de opbrengsten van dat vuurgeld blijken bij lange na
niet voldoende te zijn. Pas als de ontvanger ervan, burgemeester De Graeff van
Amsterdam, bereid is een lening te verschaffen (tegen 4% per jaar), kunnen er
spijkers met koppen geslagen worden. De hersteloperatie kost in totaal 11.015
gulden, 6 stuivers en 8 penningen, 16 penningen de stuiver, een voor die tijd
enorm bedrag.
De toren wordt dan ook van top tot teen gerestaureerd. De kap en lantaarn
zitten er nog gewoon op, want er wordt een windwijzer op aangebracht. Deze is
gemaakt in de vorm van een scheepje, wat mooi te zien is op een tekening van
P.I. Portier uit 1720.
Een donkere Brandaris en twee
vuurboeten.
De opknapbeurt is achter de rug. De kaarsenlantaarn blijft blijkbaar buiten
gebruik, want in 1682 richten de schippers en loodsen zich met een schrijven
tot de heren regenten.
Hierin doen zij hun beklag over de aanwezigheid van slechts één vuur. De
Engelsen hebben in 1666 de tweede vuurboet verbrand en of de heren er maar voor
willen zorgen dat dit wordt vervangen.
Dit gebeurt uiteindelijk ook, want op een zeekaart uit die tijd is dat tweede
vuur duidelijk aangegeven.
Halverwege de achtiende eeuw duikt de huidige Brandaris op in de geschiedenis.
Op 24 april 1750 komt een door de Staten van Holland ingestelde Commissie naar
Terschelling om de kunstwerken tegen de oeverafslag in ogenschouw te nemen.
Deze commissie heeft met de Brandaris eigenlijk niets te maken, maar kan niet
nalaten in haar uitvoerige rapportage op te merken dat de Brandaris, een
uiterst noodzakelijk richtpunt voor de scheepvaart, zich in een erbarmelijke
staat bevindt. De Edel Grootmogende Heren nemen dit voor kennisgeving aan. In
juli van hetzelfde jaar brengen ook de Commissarissen van de Pilotage een
bezoek aan het eiland. De Brandaris valt evenmin onder hun
verantwoordelijkheid, maar ook zij dringen aan op spoedige reparatie.
Vooral de derde en vierde verdieping verkeren in desolate staat en dienen
spoedig te worden aangepakt. Zij geven Matthijs den Berger, opzichter van 's
lands werken te Texel, opdracht om de toren aan een nauwkeurige inspectie te
onderwerpen en vervolgens een bestek en begroting van de kosten op te maken.
Hij komt op en bedrag van 414 gulden en 14 stuivers.
En dan herhaalt zich de geschiedenis, De kas van het vuurgeld blijkt
ontoereikend, er is zelfs een tekort van 5600 gulden. De Staten van Holland
schuiven de zaak door naar de Gecommiteerde Raden in het Noorderkwartier. Deze
adviseren om zo snel mogelijk tot restauratie over te gaan en komen met een
aantal opties met betrekking tot de bekostiging ervan. De voorkeur gaat uit
naar de volgende mogelijkheid: betaling zou moeten geschieden uit een fonds dat
ten dienste van de gehele scheepvaart staat. De Brandaris dient tenslotte ook
ter beveiliging van álle zeevarenden.
Zo'n fonds is er. Eigenlijk is het bestemd ter bescherming van de koopvaardij
en de visserij tegen vijandelijke schepen, maar de Brandaris draagt immers ook
bij tot de veiligheid. Bedoeld wordt "het Verhoogde Last- en
Veilgeld", gevoed door opgelden. Er wordt bij de Staten van Holland op
aangedrongen om in het eerstvolgende "goede seizoen" met de
restauratiewerkzaamheden te beginnen. Nadat de Staten-Generaal op 5 februari
1751 met het advies hebben ingestemd, lijkt de weg vrij. Het duurt echter tot 9
augustus tot de aanbesteding plaatsvindt en dan is het "goede
seizoen" alweer voorbij. Die aanbesteding vindt plaats in herberg
"De Pauw" te West. Het werk wordt gegund aan Klaas Norel en Dirk
Cornelis, beiden woonachtig te Harlingen, voor de som van 4150 gulden.
Het stuk met de aannemingscondities, inclusief sancties bij tekortschieten,
wordt getekend door de al eerder genoemde Matthijs den Berger.
In 1778 wordt een zekere Volkert Douwesz "opziender" over de
vuurbakens, de kolenschuren en de Brandaris. Hij krijgt ook de functie van
klaremaker. Omdat het in- en uitklaren van schepen vanaf Vlieland plaatsvindt,
vestigt Douwesz zich op dat eiland. Voor zijn toezichthoudende functie op
Terschelling schiet maar weinig tijd over, hetgeen grote gevolgen zal hebben.
Maandag 30 oktober 1786: "De saaken van de Brandaris op der Schelling
met hetgeen daartoe behoort zijn bij gebrek van behoorlijke opsicht in een
slechte toestand en sullen mogelijk binnen korte tijd onherstelbaar worden, was
het niet nodig sulks onder het oog van den Heer Hooft wierd gebragt".
Deze notitie komt ter tafel op een vergadering van het College der
Pilotage. Jacob Hooft, schepen van Amsterdam en commissaris der Pilotage, is
speciaal belast met het innen van de vuurgelden en ook hetgeen te maken heeft
met de vuurbakens en de Brandaris, valt onder zijn bevoegdheden. Hij is een
zeer secuur man en de handelwijze van Volkert Douwesz strookt totaal niet met
deze eigenschap.
De notitie zal grote gevolgen hebben.
Hooft neemt die serieus genoeg om zich verder op de hoogte te stellen. Hij
stuurt een vertrouwensman, metselaar Hendrik Lampe, naar Terschelling om de
Brandaris grondig te inspecteren. Douwesz krijgt bij brief opdracht om hieraan
alle medewerking te verlenen. Samen met smid David Foppesz wordt de toren van
onder tot boven bekeken. Er worden weliswaar wat gebreken gevonden, maar de
notitie lijkt zwaar overtrokken te zijn.
Op 28 september 1787, nog geen jaar later, zijn de berichten heel wat minder
geruststellend. Tijdens wat kleine reparatiewerkzaamheden is aan het licht
gekomen dat er van alles aan de toren mankeert. Complete balklagen blijken
verrot te zijn, muurankers doorgeroest en grote stukken metselwerk bevinden
zich in zeer slechte staat. Met deze constatering begint een zes jaar durende
lijdensweg, ook op het menselijk vlak. Een Douwesz, die wegens nalatigheid
wordt ontslagen, een malverserende Foppesz die, met meeneming van de
boekhouding, spoorloos verdwijnt en zijn vrouw met een failliete boedel laat
zitten, materiaal dat als sneeuw voor de zon verdwijnt, een nieuwe opzichter
die vriendjespolitiek bedrijft, arbeiders die hun loon niet ontvangen,
enzovoort.
Jacob Hooft bevindt zich in een moeilijke positie. Steeds weer moet hij bij de
Staten-Generaal aankloppen om meer geld. De Brandaris lijkt een bodemloze put
te zijn.
Tijdig herstel.
In 1795 verklaart Frankrijk ons de oorlog. Het College van de Pilotage
benoorden de Maze wordt opgeheven en de Brandaris komt onder het Departement
van Marine te vallen.
Als Willem I in 1814 tot soeverein vorst is uitgeroepen, wordt al gauw een
nieuwe grondwet in werking gesteld, waarin hij de uitvoerende en een groot deel
van de wetgevende macht krijgt toebedeeld.
Dit zou grote gevolgen hebben voor handel en scheepvaart en alles wat daarmee
samenhangt, dus ook voor de Brandaris. Het fnuikende ad-hoc beleid van voorheen
wordt vervangen door het werken met jaarlijkse begrotingen.
Op 16 september 1819 krijgen twee inspecteurs over het Loodswezen, de heren
H.J. Ortt en A.C. Twent, respectievelijk werkzaam in het noordelijk en het
zuidelijk district, opdracht om te onderzoeken op welke wijze de
kustverlichting kan worden verbeterd. Andere landen zijn ons voorgegaan met
hogere vuurtorens en moderne verlichtingstechnieken.
Op 20 maart 1818 heeft de vuurtoren van Westkapelle naar buitenlands voorbeeld
een vijftiental Argandse lampen met parabool-reflectoren gekregen.
In Frankrijk is kort daarna door fysicus A.J. Frensnel (1788-1827) een lens
uitgevonden die zeer geschikt is voor het gebruik op vuurtorens.
Rijksgeschutsgieter Maritz uit Den Haag heeft deze nieuwe verlichtingstechniek
in werking gezien op de beroemde vuurtoren van Cordouan en beveelt hem
enthousiast aan voor gebruik op de Nederlandse torens.
Bij Koninklijk decreet van 30 december 1823 is de Brandaris, samen met de
torens van Nieuwpoort, Oostvoorne, Westkapelle, Schouwen, Goedereede,
Scheveningen, Egmond, Kijkduin en Schiermonnikoog aangewezen als noodzakelijk
kustlicht van de eerste rang. Vlieland wordt bij de tweederangs lichten
ingedeeld. Kapitein-ter-zee, inspecteur Ortt is volledig overtuigd door het
door Maritz uitgebrachte rapport en wil de Brandaris inrichten met een
Frensnel-licht. Alles lijkt in hoog tempo te zullen worden gerealiseerd, maar
dan ontstaan er spanningen tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, in
november 1830 uitmondend in de Belgische opstand. Hierbij wordt al gauw gedacht
aan luitenant-ter-zee, tweede klasse, Jan Carel Josephus van Speijk.
Deze laat op 5 februari 1831, tijdens hevige gevechten met de Belgen, ten
noorden van Antwerpen de onder zijn bevel staande kanonneerboot met bemanning
in de lucht vliegen.
Hij wil niet dat de Nederlandse vlag in Belgische handen valt. Voor deze daad
wordt hij uitgeroepen tot nationale held.
Het "College Zeemanshoop", in 1822 opgericht te Amsterdam, wil een
monument aan hem wijden en vastgesteld wordt dat dit een vuurtoren zal zijn,
uitgerust met een Frensnel-optiek van de eerste rang. Een nieuw te bouwen toren
te Egmond aan Zee wordt hier voor aangewezen. De ingezamelde gelden blijken
echter bij lange na niet toereikend te zijn. A.C. Twent, inmiddels gepromoveerd
tot Inspecteur-Generaal over het Loodswezen, doet daarom het voorstel om "de
overheerlijk daartoe geschikte" Brandaris als Van Speijk-monument in
te richten. Er worden hiertoe zelfs voorzieningen aan de toren getroffen in de
vorm van een monumentale ingang. Het is er nooit van gekomen. Nadat ook
Haamstede als locatie voor het monument nog in beeld is geweest, komt men
tenslotte toch weer terecht in Egmond aan Zee, maar het is ondertussen wél
1840.
In de oude vuurtoren van Westkapelle heeft in 1831 een verschrikkelijke
brand gewoed. Langs de houten trappen en zolders stroomde brandende olie.
Hieruit lering trekkende, wil men de Brandaris uitrusten met een stenen
wenteltrap. De vloeren van de bovenste verdieping en het plat zullen van ijzer
worden gemaakt. Het oliereservoir komt op de begane grond, afgescheiden door separatiemuren.
Dit betekent wel dat er een pompmechanisme moet worden aangebracht.
Op 12 augustus 1833, het verbeteringsplan voor de kustverlichting is dan alweer
tien jaar oud, wordt het bestek voor de verbouwing van de Brandaris tot een
"kapitale kustlichttoren" vastgesteld.
Op 23 september vindt de openbare aanbesteding plaats. J.G. Pallada te
Vreeswijk krijgt het werk gegund voor de aanneemsom van ƒ31.500. Hij zit
hiermee meer dan tienduizend gulden onder de begroting. Rijksgeschutgieter
Maritz en Zn. krijgen opdracht om voor ƒ25.000 het lichttoestel te plaatsen.
Voor de verbouwing en inrichting is tien maanden uitgetrokken; dit zullen er
twintig worden. Pas in de tweede helft van september 1835 wordt het werk
opgeleverd. Opzichter over de werken is Joh. Boerman Jz. De kap met de lantaarn
verdwijnt, daarvoor in de plaats komt een ijzeren lichthuis. De zware luidklok
en het uurwerk, aangebracht in de zeventiende eeuw, moeten worden verwijderd
wegens het metselen van de trapschacht. In 1838 zal ter compensatie op het
raadhuis in de Torenstraat een forse dakruiter worden gezet, als onderkomen
voor een nieuwe, kleinere luidklok en een eveneens nieuw uurwerk. Een in 1671
in de Brandaris aangebracht "gevangenhok" moet ook het veld ruimen.
De verbouwing brengt nogal wat gebreken aan het licht. Het zijn vooral
vochtproblemen waarmee men heeft te kampen. Het metselwerk blijkt in zeer
slechte staat te verkeren. Op 16 september 1835 meldt opzichter Boerman dat het
werk voltooid is.
Het eerste draailicht van Nederland wordt ontstoken op 23 september 1835. In de
Nederlandse Staatscourant van 3 oktober 1835 wordt hiervan melding gemaakt,
evenals van het doven van beide vuurboeten.
Aanvankelijk vertoont het nieuwe licht nogal wat kinderziekten. Al gauw moet
het optiek worden verwijderd om te worden gerepareerd. Een speciaal ontwikkelde
noodlamp dient zolang ter vervanging.
In 1839 is het weer de toren zélf die de aandacht vraagt. Het is weer het
metselwerk dat zorgen baart. Aannemer J. de Ringh te Enkhuizen krijgt de opdracht
om de toren op te knappen. Honderden vierkante meters muur moeten worden
vernieuwd en de kosten lopen flink uit de hand. Ook nu heeft men weer last van
ernstige vochtdoorslag en hieruit voortvloeiend komt men met het voorstel om de
Brandaris aan de west- en de zuidzijde te schilderen. Omdat de verf niet op de
muren wilde hechten ging het hele verhaal niet door.
Eind 1841 wordt het werk opgeleverd. Nagenoeg 70% van het buitenwerkse
muuroppervlak is dan vernieuwd (bijna 1200 vierkante meter). Met het lichtoptiek
blijft het sukkelen. In 1853 moet er alweer gebruik worden gemaakt van een
hulplicht, maar na herplaatsing van het verbeterde optiek, lijken de grootste
problemen tot het verleden te behoren. Ook de lamp ondergaat diverse
verbeteringen en in 1858 wordt gemeld dat deze "vrij goed voldoet".
Het draailicht zal zijn werk doen tot 5 juni 1864. Dan wordt het weer
afgenomen, samen met de lantaarn, maar deze keer niet omdat het kapot is. Het
verhuist naar de nieuwe vuurtoren van De Cocksdorp op Texel. Men heeft besloten
de Brandaris te voorzien van een nieuw lichthuis en optiek. Er is gekozen voor
een stilstaand licht van de eerste rang. Het nieuwe optiek is meer dan
manshoog. De door patentolie gevoede Argandse lamp heeft vier concentrische
pitten. Dit licht heeft vrijwel probleemloos dienst gedaan tot 1907, het jaar
van de elektrificatie.
Het jaar ervoor is men aan de noordzijde van de toren begonnen met de bouw van
een machinehuis. Hierin worden twee vijftien pk zuiggasmotoren geplaatst om met
de bijbehorende apparatuur de stroom op te wekken. In het nieuwe (huidige)
lichthuis wordt een dubbeloptiek van de vierde rang geïnstalleerd, draaiende op
een kwiklager. Dit kwiklager heeft dienst gedaan tot het najaar van 1989.
Dan wordt het vervangen door een kogellager. De lichtbronnen bestaan uit
koolspitsbooglampen, die een zeer hoge lichtopbrengst hebben, nog een 125 keer
versterkt door de Fresnel-lenzen.
Aannemer / timmerman H. Starrenburg te West-Terschelling verplicht zich de
nodige werkzaamheden aan de toren te verrichten. Op 1 maart 1907, na 72 jaar,
zwenken de lichtbundels van de Brandaris opnieuw door de lucht, met om de vijf
seconden een schittering. Het is het eerste "elektrische
bliksemlicht" van Nederland. Westkapelle zal anderhalve maand later
volgen.
Voor de nachttrekvogels is het nieuwe licht een ramp. Door het felle licht
vliegen ze zich te pletter tegen het bovenste deel van de toren. IJzeren
rekken, waarop de vogels kunnen uitrusten, worden aangebracht, later gevolgd
door vogellampen die de toren in tegenlicht zetten. Met de opkomst van de
straatverlichting kunnen de dieren zich steeds beter oriënteren en met de
massale sterfte is het dan gelukkig afgelopen. Tijdens de trekperioden worden
de vogellampen, nu moderne halogeenstralers, zo nu en dan nog ontstoken.
De vogelrekken zijn in de jaren zestig verwijderd. Op de derde verdieping is
een verzameling van opgezette vogelslachtoffers aanwezig, bestaande uit 106
verschillende soorten, waaronder zeer zeldzame.
De bewakingsintensieve en onderhoudsgevoelige koolspitsbooglampen worden in
1920 vervangen door de beroemd geworden "Brandarislampen" (80 V, 50
A), enorme gloeilampen met een doorsnede van 30 cm. De lamp werd vanaf 1917
ontwikkeld door Philips, in samenwerking met het Proefstation van 's Rijkskustverlichting
te Scheveningen. Hij wordt voor het eerst beproefd op de Brandaris.
Al in 1924 zijn vrijwel alle vuurtorens in Nederland met dergelijke lampen
uitgerust. De aandrijving van het Brandaris-lichtoptiek wordt met het plaatsen
van de nieuwe lampen geëlektrificeerd, het uurwerk met valgewicht wordt in
reserve gehouden. De "Brandarislamp", die nog diverse verbeteringen
ondergaat, heeft dienst gedaan tot 1984. Dan wordt de hogedruk kwikjodidelamp
in gebruik genomen.
In 1982 wordt het licht helemaal geautomatiseerd. De astronomische klok wordt
vervangen door een lichtgevoelige cel, die zorgt voor het ontsteken en doven
van het licht.
Van 1907 tot 1936 wordt de stroom geleverd door de eigen installatie.
Motordrijvers houden de zaak draaiende. In 1919 wordt één van de gasgeneratoren
vervangen door een Werkspoor-diesel. In de nacht van 26 op 27 maart 1936 neemt
de Terschellinger Electriciteits Maatschappij (TEM) de stroomleverantie over.
De eigen voorziening wordt in reserve gehouden. Na de oorlog worden twee door
de Duitsers achtergelaten Junkers-diesels met wisselstroomdynamo's in gebruik
genomen. Sinds 10 maart 1976 ontvangt het eiland zijn stroom via een wadkabel
van de vaste wal.
Begin jaren tachtig is het machinehuis afgebroken.
In de toren is een dieselagregaat geplaatst dat bij uitvallen van het lichtnet
automatisch aanslaat. Als extra zekerheid kon men tot 1984 overschakelen op
gas, tegenwoordig op accu's.
Tijdens de beide Wereldoorlogen zijn de vuurtorenlichten gedoofd geweest en de
lichtwachters werkeloos.
De Brandaris had in de Tweede Wereldoorlog een ongewenste buurman, die hoger
reikte dan hij zelf.
Het is een kolossale, door de Duitsers opgerichte radartoren. Deze
"Wasserman" wordt in de nadagen van de oorlog "gesprengt".
De Brandaris domineert weer als vanouds het aanzicht van West.
Eind jaren zestig komt er loszittend gesteente naar beneden. Het is een oud
verhaal: de Brandaris is in verval en moet hoognodig hersteld worden. Dit kost
echter een hoop geld. Het is een tijd van bezuiniging, doelmatigheid en
modernisering en men acht de besteding van zoveel geld aan zo'n oude toren niet
verantwoord. Er zijn plannen om hem maar af te breken en te vervangen door een
hoge stalen lichtmast. Gelukkig steekt de Rijksdienst voor de Monumentenzorg
hier een stokje voor. Er wordt geld vrijgemaakt voor een ingrijpende
restauratie, waarmee in het voorjaar van 1976 wordt begonnen.
De firma's Schakel en Schrale, gespecialiseerd in restauratiewerk en deel
uitmakend van de Hollandse Beton Groep, klaren het karwei in drie jaar.
Voorjaar 1979 komt de Brandaris als herboren uit de steigers tevoorschijn. Het
torenpersoneel hoeft in het vervolg niet meer de 225 traptreden op en af, want
er is een elektrische personenlift aangebracht. Op het plat is een nieuw, veel
ruimer wachtverblijf gebouwd. In 1980 wordt de walmbol afgenomen (nu in museum
't Behouden Huys), om plaats te maken voor een radarscanner. De toren is sinds
die tijd niet meer te bezoeken.
Voorjaar 1991 komt de Brandaris weer volledig in de steigers. Hij moet opnieuw
gevoegd. De bij de laatste restauratie gebruikte voegspecie bleek onjuist van
samenstelling te zijn en barste uit de voegen. deze keer wordt min of meer
veerkrachtige voegspecie gebruikt. Tegelijkertijd worden hardstenen goten
aangebracht, binnenwerks aangesloten op pvc-pijpen, die het hemelwater
rechtstreeks naar het riool afvoeren. Na 400 jaar is de Brandaris in een
bouwkundig degelijke staat, uitgerust met de modernste elektronica, fungerend
als een spin in een web van Kustwachttaken.
===============================================================================================================
De betonning langs de Nederlandse kust.
Sinds het begin van de scheepvaart was het noodzakelijk om op alle wateren
een veilige vaart te verzekeren en één van de middelen daartoe was een
bebakening.
De bakens die in de eerste plaats daarvoor in aanmerking kwamen, waren markante
punten zoals duintoppen, bomen, kerktorens en later speciaal voor dit doel
opgerichte zelfgemaakte "caepen".
Doordat de handel en daardoor ook de scheepvaart later toenam, terwijl beide
internationaler werden (o.a. door de Hanze), ging men schepen gebruiken (type
koggeschip) waarvan de diepgang groter was dan van de vóór die tijd in gebruik
zijnde schepen. Door de ondiepten, zandplaten, slenken en geulen en daarbij het
grillige verloop van deze vaarwaters was de behoefte van een betere markering
ontstaan. Het baggeren van vaargeulen werd pas veel later ingevoerd, terwijl
aan het geleiden en reguleren van stromen nog praktisch niets werd gedaan.
De scheepvaart nam zoals al gezegd sterk in omvang toe en ter bevordering van
een veilige vaart probeerden de steden privileges te verkrijgen om te mogen
betonnen en de toegangen tot de steden van "caepen" en
zeetonnen te voorzien "tot noodruftigheyt van der seylagie ende
zeevaerdige neringen ende 't lant van Hollandt en ook mede tot preservatie van
de schepen, menschen, koopmansschappen ende goederen daerinne". De
zeesteden begrepen maar al te goed dat "om zekerder en bequamer
aankomst" te geven voor vreemde schippers en "alle derselven
ongelukken voor te komen tot aenqueecking en gemak van allerhande
koophandel" een goed gemarkeerd vaarwater van groot belang was.
De toestemming voor het leggen van zeetonnen was in die dagen afhankelijk van
een privilege, dat verleend werd door de landvoogd, meestal met het doel één of
andere stad te belonen of te bevoordelen. Dat de steden bijzonder gesteld waren
op zo'n privilege bleek wel toen Amsterdam dit privilege moest afstaan aan
Enkhuizen, wat pas gebeurde na veel protesten.
Zeker in die dagen had een stad met een goed bebakende toegang naar zee vele
voordelen, wat vaak aanleiding gaf tot onderlinge machtsstrijd en naijver
tussen de zeesteden.
Aanvankelijk bestond er geen overkoepelende organisatie die de betonning van de
Nederlandse wateren controleerde.
Deze ontstond pas later toen de Staten van Holland hiervoor een regeling
troffen, door het oprichten van twee Colleges voor de Pilotage: één voor het
gebied van de Rijn- en Maasmond en één voor de Noordelijke kusten en zeegaten.
De Colleges bestonden uit vertegenwoordigers van de zeesteden en waren o.a.
belast met het toezicht op de betonning. Buiten het gebied van de Staten van
Holland ontbraken algemene regelingen.
In tijden van oorlog werd de betonning geheel of gedeeltelijk opgenomen.
Zo werd in de eerste jaren van de oorlog met Spanje het betonningswerk met
opzet verwaarloosd om de vijand de weg niet aan te wijzen "waerlangs
zij ons bequamst mogten komen bezoeken".
"Neem een baecken wegh, gelijk in
de slag op 't Slaek en de vijand moet vergaen". Ook later was het de
gewoonte om in tijden van oorlog of oorlogsdreiging de betonning geheel of
gedeeltelijk op te nemen. Toen in augustus 1665 Michiel Adriaenszoon de Ruyter
bij Delfzijl binnenviel waren de tonnen in verband met de oorlog met Engeland
opgenomen. Op 16 februari 1781 werd een resolutie aangenomen door de Staten van
Holland en West Friesland, waarin o.a. dit inhalen van de tonnen voorkwam,
omdat op dat moment de Engelse vloot voor onze kust op en neer kruiste. Zelfs
tot op de dag van vandaag is het nog zo, dat in oorlogstijd de huidige
uitliggende betonning geheel of gedeeltelijk vervangen of aangepast wordt door
de zogenaamde oorlogsbetonning.
De geschiedenis van het betonningswezen in Nederland is te verdelen in vier
perioden. De eerste periode loopt tot het jaar 1795, de tweede van 1795 tot
1814, de derde van 1814 tot 1836 en de vierde periode van 1836 tot heden.
De eerste periode tot 1795.
Om een overzichtelijk geheel te krijgen is het nodig om de Nederlandse kust
geografisch in de volgende gebieden te verdelen:
- het vaarwater van de Eems en omgeving;
- het Amelandergat en omgeving;
- de Noordwestelijke vaarwaters;
- het gebied van de Maze en het Goereesche Gat;
Het vaarwater
van de Eems en omgeving.
In 1539 gaf de Oostfriese graaf Enno II de stad Emden opdracht de verzorging
waar te nemen van de bebakening aan de Eems. In eerste instantie betrof dit
slechts het vaarwater Wester-Eems.
De bebakening hiervan had in het begin niet meer te betekenen dan enkele tonnen
en stroomopwaarts aan de westkust enkele bakens plus nog twee kapen op het
eiland Rottum.
Door de toename van de scheepvaart werd het resort echter uitgebreid met de
Ooster-Eems en Westerbalje (1575). In 1583 was het gebied wat Emden bestreek
zowel in oostelijke als in westelijke richting aanmerkelijk uitgebreid, zelfs
in westelijke richting zover dat men op Gronings gebied terecht kwam tot aan de
Lauwerszee.
In de Zestiende eeuw was er over het wad een druk scheepvaartverkeer en het was
zelfs mogelijk om over het wad van Harlingen naar Hamburg te varen.
Betonning werd dus steeds noodzakelijker. Behalve de stad Emden was er in dit
gebied ook de stad Groningen die aan het betonningswerk deelnam. Voor het
uitvoeren van de werkzaamheden had deze stad een tonnenmeester in dienst. Deze
autoriteit kreeg ondersteuning van de stad Groningen omdat het bakengeld wat
hij van de schepen binnenkreeg, onvoldoende was om in zijn onderhoud te
voorzien. Zoals elders in het land werd ook hier de betonning van St. Maarten
tot St. Pieter opgenomen en gedurende deze periode was de internationale vaart
verdwenen.
Het betonningsmateriaal werd geleverd door de stad Groningen, het schip door de
tonnenmeester.
Het Groningse gebied strekte zich uit van de Lauwerszee tot en met het gebied
van de Dollard. Voor de stad Groningen was dit een moeilijke situatie omdat aan
de ene kant de stad Emden op haar gebied betonde en zij aan de andere kant
moeilijkheden met de Staten van Friesland ondervond over het betonnen. Ondanks
de verklaringen van de stad Groningen van 1611 en 1686 over haar bevoegdheden tot
het betonnen van een gebied van Eemshorn tot de Lauwerszee, veranderde er
weinig aan de oude toestand.
Zelfs in 1822 gaf de stad Emden haar bakenmeester nog orders westelijk van de
Wester-Eems tot bij Pieterburen te bebakenen, alsmede het gebied bij de Lauwerszee.
Kort daarop, in de periode 1830 - 1840, namen de Groningse bakenzetters de
betonning van het Groningse wad over onder toezicht van een inspecteur. De
moeilijkheden met de Friese Staten betroffen de betonning van het Friese
zeegat. In 1556 werd er een eind gemaakt aan een toen al lang bestaand
meningsverschil tussen de Friezen en Groningers, waarbij ook de betonning van
het Plaatgat, ook wel Scholbalg genoemd, betrokken was. Tot een oplossing van
het betonningsverschil is men echter nooit gekomen, men bleef werkelijke
moeilijkheden maken tot de Franse tijd.
Amelander gat
en omgeving.
Hoewel de betonning van het Amelander gat en het Coggediep lange tijd
onderhouden was door de stad Dokkum, werd deze op een gegeven moment overgenomen
door het gemeentebestuur van Harlingen. Het waren echter niet alleen deze
vaarwaters waar Harlingen zich mee bemoeide, ook het gebied rond de Jetting,
Kromme Balg, Abt, de Friese wadden tot het Groningse diep en het Kornwerderzand
behoorden op den duur tot hun resort. Hier deed het typische geval zich voor
dat de stad Harlingen het betonnen en bebakenen overdroeg aan het armenbestuur
(armenkas). Dit bestuur mocht bakengelden heffen. Eén en ander blijkt duidelijk
uit een regelement van de Magistraat van Harlingen gedateerd 26 januari 1687,
maar nog duidelijker uit een schrijven van het stedelijk armenbestuur uit die
tijd aan de Staten van Friesland, waarin men klaagt dat Staverse, Hindeloper,
Wokumer en Makkumer schepen het ton- en bakengeld niet betalen.
Ook werd er hierbij nog opgemerkt dat het "al van oude en immemorale
tijden" het leggen en bezorgen van zeetonnen en drijfbakens ten zijnen
laste heeft gehad.
De
Noorwestelijke vaarwaters.
Volgens sommige geschiedschrijvers moet de gemeenschap van de Waddeneilanden
met het vaste land rond 1300 verbroken zijn. Een riviermond die al bestond (het
latere Vlie) werd toen zo breed en diep dat het nodig werd om hier tonnen in te
leggen. Behalve dit Vlie was er in het noordwesten nog een belangrijk zeegat,
namelijk het Marsdiep.
Door de Zuiderzeesteden in het algemeen en door Kampen, Amsterdam en Enkhuizen
in het bijzonder werd een goede verbinding met zee, met het oog op de handel
met het buitenland, belangrijk geacht. Welke stad er ook toezicht op de vaarwaters
hield en het onderhoud van de betonning voor haar rekening nam, kritiek van de
andere steden was er bijna altijd wel.
Wanneer in een sententie van de Hove van Holland van 1563 beweerd wordt dat de
kosten van het stellen, leggen en onderhouden van deze tonnen ten laste kwam
van Amsterdam, "hetwelk boven memorie van menschen gestaan hadde en
alsnogh stont" dan is dat echter niet helemaal juist.
Het oudste bekende bericht over de betonning in het Vlie dateert uit 1323. Het
betreft een overeenkomst tussen Claes Popma en zijn mederichters van der
Schellingh, gesloten met de stad Kampen, welke van hertog Albrecht het recht
had om "tonnen moegen legghen jnt Vlie ende jnt Marsdiep". De
geschiedenis van Kampen tot 1600 leert dat deze stad steeds geprobeerd heeft de
veiligheid van de vaart op de Zuiderzee te verhogen door het leggen van tonnen
en het plaatsen van bakens.
Zolang Texel niet aan de grafelijkheid van Holland viel, mocht Kampen tegen
beloning van de "Heeren van Texel" de betonning in het
Marsdiep uitoefenen; dit heeft waarschijnlijk geduurd tot omstreeks 1397. In
elk geval onderhield de stad Amsterdam in 1412 in het Marsdiep een aantal
tonnen en verkreeg ze bij handvest van Philips van Bourgondië (16 mei 1452) het
recht om het daarvoor ontvangen bakengeld enigszins te verhogen.
Tussen Amsterdam en Kampen begonnen geschillen over de betonning te ontstaan,
het betrof veelal klachten van "seer gemijnde vrienden enige sciperen
ende cooplieden" en handelde over "seer qualikem leggen"
en verdrijven van tonnen. Ook waren er echter klachten over het dubbel innen
van "paelgeldt", zowel door de stad Kampen als door Amsterdam.
In 1476 liepen de geschillen zo hoog op, dat de stad Kampen dreigde dat er geen
ton in zee zou komen totdat Amsterdam zich anders zou gedragen. De contracten
tussen Amsterdam en Kampen duurden drie of zes jaar, maar soms ook wel korter
en steeds werd in de contracten het aantal tonnen genoemd met de plaats waar ze
moesten worden uitgelegd en de prijs die moest worden betaald. In 1514 volgde weer
een klacht namelijk dat "onuitsprekelijk schade" geleden werd.
In hetzelfde jaar werd weer een overeenkomst getekend voor drie jaar en wel
voor het leggen van 28 tonnen. Ook werd gesteld dat Amsterdam het paelgeld zou
ontvangen van alle schepen en goederen die in de Zuiderzee kwamen, uitgezonderd
die bestemd waren "aan burgers van Kampen, Deventer, Zwolle en
Hasselt". Ook werd Kampen te kennen gegeven "dat het beter
waer die tonnen uit Vlije te doen leggen bij Schellingers dan Vlijelanders,
omme dat die Schellingers beter gereetschap daer toe hebben ende dat zij
daartoe beth gestelt zijn".
In 1516 stuurde de stad Kampen aan Amsterdam een verweerschrift waarvan de
titel luidde: "Instructie om te bewijzen, dat de stadt Campen alleen
gerechtigt is de zeetonnen te leggen ende daer om weder het paelgeldt van alle
schepen en gueden te bueren en nyet de stadt Amstelredamme etc sal men
aenmercken tghene hier navolget". In dit verweerschrift betoogde
Kampen dat zij voor meer dan honderd jaar zeetonnen had gelegd op haar kosten.
De vergoeding van Kampen van al het werk dat zij verrichtte werd verhoogd van
45 gulden in 1451 tot 162 in 1514. Een nadeel voor Kampen was echter dat de
scheepvaart toen ineens op Amsterdam steeds meer toenam en dat deze stad steeds
machtiger werd, terwijl de positie van Kampen achteruitging. Kampen zocht steun
bij de Hanzesteden o.a. bij Lubeck, maar van die zijde hield men de boot af.
Ondertussen namen de klachten over de betonning toe en Kampens positie werd
steeds moeilijker. Voor Kampen zat er niet veel anders op dan door
onderhandelingen een zo gunstig mogelijke positie te verwerven. Op 4 maart 1527
kwam er een overeenkomst tot stand tussen Amsterdam en Kampen waarbij Kampen
het leggen van de tonnen afstond aan Amsterdam onder voorwaarde dat Kamper
schepen vrij zouden zijn van het betalen van paelgeldt. Al het materiaal werd
toen door Amsterdam overgenomen, voor het uitvoeren van de
betonningswerkzaamheden maakte Amsterdam contracten met zogenaamde
stroemeesters.
In oktober 1572 zette Prins Willem van Oranje voet aan wal in Enkhuizen, de
eerste stad die de kant van de Prins had gekozen. Amsterdam daarentegen was
vrij terughoudend geweest en door deze houding werd haar het recht van de paelkiste afgenomen (9 februari 1573).
Dit recht werd vervolgens als beloning aan Enkhuizen toegewezen.
Bij het grote scheepvaartverkeer op de Zuiderzee in de 17e en 18e eeuw heeft
Enkhuizen uit dit privilege grote voordelen getrokken. Amsterdam heeft vele
malen geprobeerd om het recht van de paelkiste terug te krijgen, maar zonder
resultaat. De Staten van Holland verklaarden zelfs: dat Enkhuizen zoude
mogen blijven in 't gebruik van 't gemelde recht van de Paelkiste die 't selve
intfangen van de schepen daer ingehouden, so wel gaende op Amsterdam als tot
Enkhuizen, Hoorn ofte andere havens aankomende en indien een ontfangk, ophef of
inning binnen Amsterdam niet toegelaten soude mogen werden dan dat 't selve bij
die van Enkhuizen op de Suiderzee ofte 't Y zoude mogen afgenomen worden met
behulp van d'oorlogschepen der Staten".
Het was echter niet alleen Amsterdam waar Enkhuizen een geschil mee had,
ook de stad Hoorn liet zich niet onbetuigd. Rond 1610 onstond er met deze stad
een meningsverschil over de aanstelling van een dijkgraaf, en dit verschil was
tevens aanleiding om een betonningskwestie in het geding te brengen. Enkhuizen
bleef echter in het bezit van het recht van de paelkiste tot de Franse tijd.
Het gebied van de
Maze en het Goereese Gat.
Rond 1050 waren de best bevaren zeegaten in deze omgeving het Goereese en
Brouwerhavense Gat. De Maasmond gaf al vroeg reden tot klachten in verband met
het bevaren van de rivier de Maze.
Op 8 september 1358 sloot Machteld van Voorne een verdrag met de Hanzestadt
Dordrecht, waarin o.a. werd overeengekomen dat in "het Gat van de
Maze" vier tonnen gelegd mochten worden ter beveiliging van de
scheepvaart. Deze tonnen werden zodanig gelegd dat er van de ene op de andere
ton gevaren kon worden. Op 16 augustus 1367 werd dit verdrag door hertog
Albrecht bevestigd.
Latere ordonnanties wijzen er steeds weer op dat men de noodzaak van betonning
terdege inzag.
Natuurlijk kwam deze noodzaak steeds weer tot uitdrukking door de grote
veranderingen die er in de vaarwaters plaatsvonden; door schade en schande werd
men wijs. Vooral het Goereese gat was nogal aan veranderingen onderhevig, daar
begonnen zich langzamerhand banken in zee te vormen en ontstonden er
binnenwaarts veel schorren en slikken. Tevergeefs probeerde men door het
plaatsen van bakens een weg langs deze obstakels aan te geven, er werden dan
ook regelmatig opdrachten verstrekt voor het verplaatsen, opnemen en uitleggen
van tonnen.
Ter bestrijding van de kosten verkreeg in 1451 de stad Goeree van Frank van
Borssele het recht om tongelden te heffen. In 1498 is door de Staten van
Holland een lijst samengesteld van het loon dat de stad Brielle zou genieten
van alle soorten schepen die het voor het onderhouden van de kapen, vuren en
zeetonnen in dienst had, terwijl ook na die tijd nog verschillende
beschikkingen daarover zijn gekomen. Na 1503 raakte Goeree in verval en verloor
zij vele rechten waaronder het recht van het innen van tongelden in het
Goereese Gat.
Op 13 januari 1578 werden voor de veiligheid van de scheepvaart nog twee tonnen
gelegd en nog later werd het aantal met drie vermeerderd. Het uitbreiden van de
betonning ging dus regelmatig door.
Zo werd ook de betonning van de Maasmond in de richting van Maasland en
Vlaardingen uitgebreid. De zorg voor de betonning en later ook voor de
verlichting van het zeegat van de Maas berustte van oudsher bij Den Briel, waar
later ook nog het onderhoud van het Goereese Gat bij kwam. In 1615 maakten de
steden van de grote visserij een lijst op t.b.v. Den Briel met aanwijzingen
voor de betonning;
en in 1670 ging men zelfs een formeel contract aan met Den Briel o.a. over het
steken van bakens en het leggen van tonnen op de Maas tot het Goereese gat.
Vanaf 1616 werd de controle van de diepte van de vaarwaters beter geregeld
omdat bij het instellen van een loodsdienst de loodsen opgedragen werden de
vaarwaters maandelijks te peilen.
Hierdoor bleef men goed op de hoogte met de ligging van de banken en de platen
en verkreeg men enigszins een inzicht in het gedrag van de zich verplaatsende
geulen.
De Zeeuwse
stromen.
De Zeeuwse stromen en kusten waren zonder de hulp van bakens en tonnen niet te
bevaren. "Omdat de stroomen hier gedurig met hare diepten droogten en
zanden van binnen en buiten bij alle gelegentheden van hoogen vloeden, door
sware opperwateren en hardgaende ebben door onstuimigheden der zee en der
winden door het afschuren en aenwassen van d'eene en d'andere landen
veranderen, soo moeten onze wateren omtrent de zandplaten en droogten altijd
wel van bakenen versorgt zijn". In 1388 werd dan ook door de hertog
Albrecht aan Zierikzee al toestemming gegeven drie tonnen te leggen in zee, "daer
alle coopmannen bij seylen mogen".
Uit de rekeningen van de waterbaljuw te Middelburg rond 1600 kan men
opmaken dat deze gerechtigd was tot het ontvangen van ton- en bakengeld. De
maandelijkse uitgaven van de drie steden Middelburg, Vlissingen en Arnemuiden,
komen in de verantwoordingen van de Zeeuwse Staten voor. De waterbaljuw had
zich uiteraard te houden aan zijn instructies. Hij was gecommiteerde van de
Hoog Mogende Staten van Zeeland tot het "opzicht" van tonnen
en bakens in de Wielingen en Deurlo en tot het ontvangen van rechten daar
gecondemmeerd. Tevens moest hij scherp toezicht houden dat de tonnen en bakens
op "bequame plaatsen" kwamen te liggen, dat bij verloop van "sanden
of andersints de tonnen, bakens gebracht of verlegd worden op andere plaetsen
dan die tegenwoordig".
En verder moesten natuurlijk bij breken van de verankering of verdrijven van de
tonnen deze tonnen onmiddellijk op dezelfde plaats teruggelegd worden, na goed
gerepareerd te zijn.
Herhaaldelijk komt men in de notulen van de Statenvergaderingen een passage
tegen over de bebakening van de Zeeuwse stromen: bijvoorbeeld kwesties over de
vergoedingen van de bakenaars.
In 1629 werd een verzoek gedaan aan de staten door Dingeman Aertsen, bakenaar
op de stromen van Walcheren. Deze verklaarde dat hij niet voldoende inkomen had
en daarom "versoekende de toelegh van een jaerlijcx tractement".
Hierover werd echter door de Staten van Zeeland afwijzend beschikt. Ook de
Zeeuwse bakenaars waren gerechtigd loon te ontvangen van allerhande schepen "die
de palen van ieders uitbreiding mogten bevaren, eenmael in 't jaer en sulcks
bij de Somer, na de groote en swaerte van deezelve schepen, volgens het besluit
bij de Heeren Staten daer overeengekomen op den 20 April 1632". Ook
werd hier nog gewezen op het feit dat de bakenaars beschermd moesten worden en
dat men "haer bij 't bedienen van 't selve ampt geen hinder of belet te
doen in eenige manieren integendeel".
De tweede periode (1795 - 1814).
Onder invloed van het Franse gezag kwamen er na 1795 een aantal veranderingen.
Deze veranderingen waren veelal van organisatorische aard, technisch bleef
alles bij het oude. De Commissies van Toezicht op de Pilotage werden op 5 maart
1795 opgeheven en het geheel kwam onder toezicht van de marine. Dit was wel
begrijpelijk want het koopvaardijverkeer was nihil en daardoor dreigde de
Pilotage in verval te raken, wat de Franse Marine zich niet kon permitteren.
De Bataafse Republiek nam in het noorden een contract over wat tussen Emden en
de admiraliteit van Friesland was gesloten en verlengde dit zelfs nog een keer
tot 1810.
Enkhuizen was in het bezit van het paalgeld gebleven, maar het werd haar in
1809, na inlijving van Holland in het Franse keizerrijk, ontnomen.
De stad Brielle bleef belast met het leggen van tonnen op de Maas. De tonnen
voor het Goereese gat werden door de Marine in Hellevoetsluis gemaakt, het
leggen ervan werd uitbesteed, maar later aan een vaste schipper opgedragen. De
vissers van Maassluis en Vlaardingen bakenden als de visserij aan de gang was,
enkel vaarwaters zelf af.
In 1802 werd de raad van Marine belast met het leggen van de zeetonnen in
Zeeland, maar verder veranderde daar niet veel. In 1807 kwam de Wester-Schelde
onder Frans beheer, de chef van dat Loodswezen zetelde in Antwerpen en een hem
toegevoegde loods had het toezicht op het betonnen en bebakenen. In 1811 werd
voorgesteld om ook de Ooster-Schelde onder toezicht van Antwerpen te plaatsen.
De gehele dienst van de bebakening en betonning van de vaarwaters, evenals het
onderhoud en de bediening van de vuurtorens, ging in 1810 naar Frans voorbeeld
over naar Ponts & Chaussees.
Er bleef steeds overleg met de Zeeperfect. Omtrent de betonning van de
vaarwaters in het zeearrondissement Holland was overeengekomen dat de
vaarwaters aan de binnenzijde van de linie van defence, gevormd door de
gewapende flottieljes, betond zouden worden. De vaarwaters aan de buitenzijde
van deze linie en "gemeenschapgevende" met de zee, zouden
betond blijven.
De derde periode (1814 - 1836).
Na de Franse tijd, dus na het herstel van de onafhankelijkheid verscheen op 7
december 1813 een door koning Willem I gedagtekend Koninklijk Besluit. Art. 11
van dit besluit is van belang voor de bebakening en luid als volgt:
"Zijne administratie zal zich uitstrekken over de constructie en
uitrusting der schepen, de aanwerving van zeelieden, kustbeseining, het
loodswezen, de tonnen en de bakens en in het algemeen over alle hetgene in
verband staat met de defensie te water".
Van 7 december 1813 tot 12 maart 1830 werden hiertoe twee departementen
opgericht, het Noorder- en Zuiderdepartement. In het Noorderdepartement werd
het hoofd Jhr. H. J. Ortt, in het Zuiderdepartement Jhr. A. C. Twent. Er was in
de tussentijd wel het een en ander gebeurd. Groningen, Harlingen, Enkhuizen,
Den Briel en het provinciaal bestuur van Zeeland hadden hetgeen vroeger onder
hun beheer was geweest weer tot zich getrokken, ook werden de bakengelden
ingevoerd en deze steden waren beslist niet van plan om van deze verworven
rechten zo maar weer afstand te doen.
Overigens was het aan de andere kant geen eenvoudige zaak om de hele betonning
over te nemen in een tijdsbestek van enkele jaren en men beperkte zich dan ook
in de eerste jaren tot het toezicht op de bebakening in en nabij de vaarwaters.
Gaandeweg zou men er toe overgaan om de rechten over te nemen, hetzij door ze
af te kopen, hetzij door het betalen van een jaarlijkse som, welke uiteindelijk
afgekocht zou worden.
Zeker is dat de overdracht vooral in de beginjaren werd vertraagd. Omdat de
inkomsten van het paelgeld niet meer aan de verwachtingen beantwoorden, was men
steeds meer geneigd, ook vanwege de hoge kosten, van de rechten afstand te
doen. Het teruglopen van de scheepvaart op de Zuiderzee was daar een goed
voorbeeld van, want in 1825 wilde men het recht wél kwijt aan het bestuur van
de Marine in Amsterdam. De verantwoording voor de betonning van de vaarwaters
berustte dus bij de Marine, echter nog niet de uitvoering ervan.
Zo werd op 13 november 1814 de zorg voor de betonning wederom aan de armenkamer
te Harlingen opgedragen, terwijl pas in 1833 het geheel werd overgenomen door
het departement van Marine, waarvoor jaarlijks aan het armenbestuur ƒ1308,07
zou worden betaald. In 1855 werd deze schuld afgekocht voor ƒ27.800. In het
zeegat van Texel bleef de "tonnagie" verzorgd worden door de
bakenaars Giltjes. Deze bakenaar was evenals zijn voorgangers in dienst van "de
Commissie der Paalkist", welke commissie in Enkhuizen zetelde en de
burgemeester als president had.
Tenslotte kwam de bakenaar onder direct toezicht van de onderinspecteur van de
Marine. Voor 1834 moest de onderinspecteur van de Marine aan de president der
Commissie der Paalkist al zijn wensen en klachten kenbaar maken, die op haar beurt
weer opdracht gaf aan de bakenaar. De bevoegdheid om tonnen te verleggen of op
te nemen had nog de onderinspecteur, noch de commissie, dit werd speciaal
verzocht aan "de kapitein ter zee belast met 't opzicht over het
Loodswezen" in het Noordelijk Departement, kortweg genoemd de
inspecteur. Na 1814 was de "Landsfabriek" in Middelburg belast
met de directie over de betonning en bebakening der Zeeuwse stromen, het
controlerend toezicht berustte bij de onderinspecteur over het Loodswezen te
Vlissingen. Rekening en verantwoording werd elk jaar ter goedkeuring gezonden
aan deze onderinspecteur, die het met alle bijlagen op zijn beurt weer doorzond
naar de inspecteur. Ook hier gold dat niets aan de betonning mocht worden
veranderd zonder toestemming van de inspecteur, getuige het volgende verslag
van de onderinspecteur te Vlissingen aan de directeur van de Landsfabriek: "Een
sufficient bolbaken te doen plaatsen met een onderscheyden Teeken dat men van
verre zien kan, de overige veranderingen in de betonning zal ik aan de
tonnelegger zelf beduiden en aan Uw. Ed., zodra de goedkeuring van de
inspecteur A.C. Twent ontvangen is."
De reparaties en aanbestedingen voor de aanmaak van ketting werd meestal in
onderling overleg besproken.
Kleinere aanschaffingen door de directeur werden niet eerst voor goedkeuring
aan de inspecteur voorgelegd, grotere echter wel.
Het heeft tot 1 juli 1836 geduurd voor de betonning van alle Nederlandse
vaarwaters onder het bestuur van de Marine was geplaatst. Ondertussen had een
kleine reorganisatie plaatsgevonden:
op 1 april 1830 werden de beide departementen vervangen door één centrale,
gevestigd in 's Gravenhage, met aan het hoofd de Inspecteur-generaal. Voor een
betere taakvervulling werd de dienst onderverdeeld in acht districten. In 1835
echter werd aan de Inspecteur-generaal van het Loodswezen tevens het algemeen
beheer over de vuren, tonnen en bakens opgedragen.
De vierde periode (1836 - heden).
Voor een meer rechtstreeks beheer en toezicht werden dus acht districten
gevormd, elk met een eigen standplaats: Groningen, Terschelling, Willemsoord,
Amsterdam, Brielle, Hellevoetsluis, Dordrecht, Middelburg en Vlissingen. Aan
het hoofd van het eerste en zevende district stond een inspecteur van de
Betonning, Bebakening en Verlichting, terwijl aan het hoofd van de andere
districten de inspecteurs van het Loodswezen stonden. Enkhuizen werd op 1 juli
1855 uitgekocht voor 288.537 gulden en de opslag en werkplaatsen werden
overgenomen. Regelmatig breidde de betonning zich uit: nieuwe vaarwaters moesten
worden betond en de oude vaarwaters moesten steeds worden aangepast aan de
groeiende behoefte van de steeds toenemende scheepvaart.
De situatie rond de haven van Rotterdam was hier een goed voorbeeld van. Het
Voornse kanaal bekortte sinds 1829 de afstand van Rotterdam tot de zee met 6 à
7 uur.
Het Goereese Gat begon rond 1830 steeds heviger te verzanden en maakte dat veel
schepen de voorkeur gaven aan het Brouwershavense Gat. Op de rede moesten de
schepen echter gelicht worden: de goederen werden daar in lichters overgeslagen
om via het Haringvliet het Voornse kanaal te bereiken. In 1830 werd te
Brouwershaven een uit Tholen afkomstige visserman aangesteld als tonnelegger en
in 1839 werd de betonning in het Brouwershavense Gat ingevoerd.
De indeling van de districten is in de loop der jaren nogal eens gewijzigd. In
1837 werd het district vanuit Brielle verplaatst naar Hellevoetsluis en met
ingang van 1 april 1848 werd het gesplitst in een noordelijk en zuidelijk
gedeelte, met als standplaats respectievelijk Hellevoetsluis en Brouwershaven.
Op 1 januari 1851 werd Brouwershaven opgeheven en op 1 december 1851 ook de
districten Middelburg en Dordrecht, welke respectievelijk bij Vlissingen en
Hellevoetsluis werden gevoegd.
Na 1836 kwam er n.a.v. het verschijnen van enkele Koninklijke Besluiten
eindelijk wat stabiliteit in de organisatie.
In het Koninklijk besluit van 14 januari 1853 nr. 57, voorlopig het laatste van
zes besluiten, werden enkele belangrijke maatregelen bekend gemaakt met
betrekking tot de betonning, bebakening en verlichting. In dit K.B. werd
gesteld dat het departement van Marine het toezicht en beheer had over o.a. de
betonning en afbakening "der zeegaten, opene zeeboezems, beneden
rivieren en stroomen, voor zooverre deze laatsten kunnen geacht worden tot een
dadelijk gemeenschap met de Zeegaten te leiden" (art. 1, sub 1).
Eveneens werd medegedeeld dat dit toezicht was gedelegeerd aan de
Inspecteur-generaal over het Loodswezen. In art. 3 van dit K.B. wordt voor "het
dadelijk opzigt en beheer" een verdeling gegeven van het Nederlandse
gebied in zeven districten.
Deze verdeling met de hoofdplaatsen van die districten luidt als volgt: 1ste
district met Groningen; 2de district met Terschelling; 3de district met
Willemsoord; 4de district met Amsterdam; 5de district met Hellevoetsluis; 6de
district met Brouwershaven; 7de district met Vlissingen.
Aan het hoofd van elk district stond een inspecteur, verder werd vermeld dat de
werkzaamheden zouden worden uitgevoerd door "tonnenleggers en
bakenmeesters waar van de werkzaamheden en belooningen door overeenkomsten
werden geregeld". Verder was er in dit K.B. sprake van een algemeen
magazijn en kleinere magazijnen in de districten voor voorraden en reparaties.
In het bovengenoemde K.B. komt een gespecialiseerde opgave per district voor
van de te betonnen en te bebakenen vaarwaters. Na enige jaren vond opnieuw
samenvoeging van enkele districten plaats. Op 1 november 1880 werd Delfzijl de
hoofdstad van het eerste district, maar op 1 december 1924 werd Delfzijl onder
Harlingen gesteld (samenvoeging van het 1ste en 2de district). Op 1 augustus
1883 werden het 4de en 5de district samengevoegd en onder Rotterdam gesteld.
Gaandeweg kwamen er meer vaarwaters bij die betond moesten worden en werd ook
de betonning verbeterd. Zo werd aan het einde van de negentiende eeuw de eerste
lichtboei in Nederland in gebruik genomen. Van deze verbetering zijn meerdere
voorbeelden te geven en dit had tot gevolg dat de werkzaamheden zich steeds
verder uitbreiden. De transport mogelijkheden en werkmethoden veranderden en
dit alles leidde tot een nieuwe opzet van de organisatie. Dit nieuwe
Koninklijke Besluit is van 11 augustus 1934 en had als titel: "Regeling
van het bestuur over de betonning, bebakening, kust en oeverlichten, langs de
Zeekusten, in de zeegaten, op de benedenrivieren en het IJsselmeer van het
Koninkrijk der Nederlanden".
Omdat dit K.B. nog steeds van kracht is volgt het hieronder in zijn geheel:
11 augustus 1934.
De bij K.B. van 29 december 1835 nr. 69 zoals sedert gewijzigd, laatstelijk bij
K.B. van 22 maart 1909 nr. 63 vastgestelde "Regeling van het bestuur over
de betonning, bebakening, kust- en
oeverlichten of vuren, langs de Zeekusten, in de zeegaten en op de
beneden-rivieren van het Koninkrijk der Nederlanden" te vervangen door het
volgende:
"Regeling van het bestuur over de betonning, bebeakening, kust- en
oeverlichten, langs de zeekusten, in de zeegaten, op de beneden-rivieren en het
IJsselmeer van het Koninkrijk der Nederlanden".
art. 1
Onze minister van Defensie is belast met het oppertoezicht:
art 2.
Het bestuur over de betonning, bebakening, lichtschepen, kust- en oever
lichten, hierboven vermeld zal verenigd met dat over het Loodswezen, onder het
oppertoezicht van de minister van Defensie, worden gevoerd, door de
Inspecteur-Generaal van het Loodswezen, enz.
Dientengevolge wordt aan voornoemde Inspecteur-Generaal de zorg opgedragen.
art 3.
Ten aanzien van de dienst van de betonning, bebakening en verlichting, zoals
ook van het Loodswezen is het Koninkrijk der Nederlanden in zes districten
verdeeld.
Het 1ste district, hoofdplaats Delfzijl strekt zich uit van de dam van Ameland
naar de Friese kust naar het oosten, omvattende het gehele Friese zeegat, de
eilanden Schiermonnikoog en Rottum, langs de wadden en Groningse kust tot aan
de Nederlands - Duitse grens.
Het 2de district, hoofdplaats Harlingen strekt zich uit over de eilanden
Vlieland, Terschelling en Ameland, langs de Friese kust van het oost- uiteinde
van de Afsluitdijk tot de dam naar Ameland en over de dam, wat het watergebied
betreft benoorden de genoemde eilanden, vanaf de westkust van Vlieland met
inbegrip van de buitenbetonning voor de Eierlandse gronden,
tot de oostpunt van Ameland en bezuiden die eilanden tot aan de noordzijde der
bebakende geulen, die langs de zuidwestzijde van Inschot en zuidoostrak tot aan
de bocht in de Afsluitdijk, bewesten Kornwederzand; verder langs de Afsluitdijk
en over die dijk tot aan de Friese kust.
Het 3de district, hoofdplaats Amsterdam strekt zich uit over het Eierlandse
gat, het eiland Texel, langs de Noordzeekust zuidwaarts, omvattende de zeegaten
van Texel, met inbegrip van de betonde buiten gronden tot aan de grens tussen
de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland. Het district omvat voorts het
IJsselmeer.
In het noorden is de grens als boven aangegeven bij het 2de district. De
lichtschepen Terschellinger Bank en Haaks behoren tot het 3de district.
Het 4de district, hoofdplaats Rotterdam, strekt zich uit in het westen vanaf de
grens tussen de provincies Noord-Holland en Zuid-Holland langs de Noordzeekust
zuidwaarts tot en met de zeegaten van de Nieuwe Rotterdamse Waterweg, Den Briel
en Goeree en wel respectievelijk binnenwaarts tot de spoorwegbrug te Rotterdam,
de Oude Maas tot de spoorwegbrug te Dordrecht en tot de oostuitloop van
Haringvliet en Vuilegat.
Het 5de district, eveneens hoofdplaats Rotterdam strekt zich uit westwaarts van
de Goereese Zeegaten tot en met het Brouwershavense Zeegat, zuidwaarts tot en
met de eilanden Schouwen en Duiveland met uitzondering van het Krabbengat en
van de kustlichten Zierikzee haven en Zierikzee, De Val, de noord- en oostkust
van het eiland Tholen tot aan de brug over de Eendracht, het Keetens vanaf de
stompe ton no. 2 en de spitse ton no.3, in het noorden vanaf de oostuitloop van
Haringvliet en Vuilegat over het Hollands Diep, tot aan de spoorwegbrug over de
Moerdijk, de Dortse Kil, en het Mallegat tot aan de spoorwegbrug te Dordrecht
en in het Oosten tot aan de Brabantse wal.
Het 6de district, hoofdplaats Vlissingen omvat de Monden van de Westerschelde
en Oosterschelde met inbegrip van het Krabbengat, de kustlichten van Zierikzee,
haven van Zierikzee, De Val, het Keeten tot aan de stompe ton no.2 en de spitse
ton no.3, de west- en zuidkust van Tholen, het Tholense gat tot aan de brug
over de Eendracht en alle verdere open vaarwaters en/of uitkomende in de
Oosterschelde, zomede dezelfde kusten, oevers en open nevenvaarwaters tot aan
de Nederlands- Belgische grens bij Bath.
Het lichtschip Noordhinder behoort tot het 6de district.
art.4
Het dagelijks toezicht op en de zorgen voor het onderhoud van de betonning,
bebakening en verlichting wordt door de Inspecteur-Generaal opgedragen. In het
1ste/2de district aan de Directeur van het Loodswezen enz., in deze districten
ter standplaats Harlingen. In het 3de district aan de Directeur van het
Loodswezen enz., in dit district ter standplaats.
Amsterdam. In het 4de/5de district aan de Directeur van het Loodswezen
enz., ter standplaats Rotterdam. In het 6de district ter standplaats
Vlissingen.
Voor de technische dienst van de kustverlichting is aan de Inspecteur- Generaal
toegevoegd hfd. ing. chef van die dienst, te Scheveningen onze minister van
Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal
worden gezonden aan het ministerie van waterstaat en aan de algemene
Rekenkamer.
de min. van Def.
Ulrik, 11
augustus 1934
(get.) L.N. Deckers
(get.) Wilhelmina
De verdeling zoals die in dit Koninklijk Besluit is aangegeven is praktisch
hetzelfde als de verdeling van de loodsdistricten. Of deze indeling vanuit het
oogpunt van betonning gezien, wel zo goed is, wordt door velen sterk
betwijfeld. Daarbij is in dit K.B. sprake van de Technische Dienst van de
Kustverlichting. Voor wat de betonning betreft heeft deze dienst bemoeienis met
de constructie van de lichtboeien en de verlichting daarvan. Ook dit K.B. is
niet helemaal meer overeenkomstig de ware toestand.
Bij het Koninklijk Besluit van 10 april 1972 werd het Algemeen Regelement van
de Loodsdienst gewijzigd. In art. 3a van dit besluit wordt gesproken over de
districten Noord, IJmond, Rijnmond en Scheldemond, waarmee de districten
bedoeld worden die vroeger respectievelijk 1ste/2de; 3de; 4de/5de en 6de
district genoemd werden. De hoofdplaats in het district Noord is nu Delfzijl,
hetgeen inhield dat de directie van Harlingen naar Delfzijl moest verhuizen. In
district IJmond werd de directie van Amsterdam naar IJmuiden overgeplaatst. De
vroegere standplaatsen Terschelling en Den Helder werden zogenaamde
buitenplaatsen. Uit bovenstaande K.B. blijkt dat alle wateren die buiten de
daarin genoemde grenzen liggen, niet betond zullen worden door het Loodswezen,
maar door andere instanties zoals Rijks- of provinciale waterstaat, gemeente
e.d.
Nu nog enkele opmerkingen over de betonning op de Eems en de Westerschelde. De
betonning op de Westerschelde wordt in gezamenlijk overleg met België geregeld
ingevolge het Scheidingsverdrag van 1839. Het overlegorgaan is de
Belgisch-Nederlandse Permanente Commissie van Toezicht op de Scheldevaart,
kortweg de Permanente Commissie genoemd. Deze commissie komt elke drie maanden
bijeen in Vlissingen of Brussel; deze werkwijze is geregeld bij de Scheidingstractaten
van 1839 en 1842. Op 20 mei 1843 werd een reglement vast gesteld met als titel:
"Reglement betref-fende het Loodswezen en het gemeenschappelijk toezicht
op de Schelde en hare mondingen". Artikel 69 en 70 van dit reglement handelt
over tonnen en bakens.
Voor de betonning op de Eems heeft men samen met de Westduitse Bondsrepubliek
een soortgelijke regeling ontworpen. Voor de wereldoorlog werd de Eems
uitsluitend door Duitsland betond. Na de Tweede Wereldoorlog werd tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en de Westduitse Bondsrepubliek een verdrag gesloten
tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding (het zgn. Eems -Dollardverdrag. d.d. 8 april 1960).
Hoofdstuk 3 behandelt de bebakening in drie artikelen namelijk art. 13,
14 en 15. In de praktijk komt het er op neer dat de bocht van Watum door
Nederland betond wordt.
Na de Tweede Wereldoorlog werden de mijnenvrije vaarwaters langs de Nederlandse
kust behandeld door de Nederlandse betonningsdienst. De overgang van
mijnenvrije routes naar verkeersroutes is in N.W. Europa eigenlijk geruisloos
verlopen. Zo komt het dat de betonning van de verkeersroutes benoorden de
Waddeneilanden nog steeds in handen is van de Nederlandse betonningsdienst
(TE-route, TX-route en D(eep) W(ater) route).
Betoningsstelsels.
In het begin was er van een systeem in het gebruik van tonnen en bakens nog
geen sprake. Men trachtte ondiepten aan te geven, waarbij onderscheid werd
gemaakt of het voorwerp aan stuurboord- of bakboordzijde van het vaarwater lag
en waarbij het "hoe passeren" in de toenmalige zelfaanwijzing
beschreven stond. In de zeiltijd was het markeren van de vaarwaters in principe
gericht op het dekken van banken en ondiepten, terwijl ook de punten waar men
al zeilende koers moest veranderen, werd aangegeven.
Toen later de stoomvaart doorbrak waren de schepen minder afhankelijk van het
weer en getij en dit leidde er toe dat men toen meer een betonning aan
bakboord- en stuurboordzijde ging leggen, waarbij het oude principe van
gevaarmarkering toch ook bleef toegepast. Voor deze betonning aan bakboord- en
stuurboordzijde waren enkel redenen aan te wijzen die ook nu nog geldig zijn.
Ten eerste kan men de vaarweg vaak aanmerkelijk verkorten en een duidelijke
markering zorgt er voor dat de door de voorschriften opgestelde regels beter op
te volgen zijn. Met de overgang van de zeilvaart naar de stoomvaart verloor de
ondiepteaanwijzing niet haar betekenis, maar andere eisen en wensen van de
scheepvaart maakten toch langzamerhand een aanpassing van de betonning
noodzakelijk.
Van oude kaarten en uit oude zeilaanwijzingen is bekend hoe de voorwerpen
vroeger uitgelegd werden: "Als ghij comt bij die tweede tonne in de
Maese daer ist drooch water te weten twee vadem met leech water". Of :"Sal
men aldaer een scheere vinden, strekkende van de strange af alwaer een ton met
een steert opligt". Of:: "in 't veergat leggen drie tonnen met
twee bodems van maeksel als groote Oxhoofden, die moet men SB laten".
Met dit soort aanwijzingen staan de zeilaanwijzigingen van W. Jz. Blaeu en L.
J. Waghenaer vol. In 1584 werd door L. J. Waghenaer in de Spiegel der Zeevaerdt
een beschrijving gegeven van wat men tegenwoordig zou noemen een
betonningssysteem, waarschijnlijk is deze beschrijving één van de eerste
beschrijvingen in de wereld.
Corte
onderrichtinghe vanden Fatsoene
ende forme/van Tonnen/Baeckens/Capen/etc. so de
selve inde particu-
liere Caerte vande Vliestroomen/Eemsen weeser d'Elft'meers-
diep ende de Mase aengheteeckent zijn.
Op alle de stroomen
van Hollandt/Vrieslandt ende Zeelandt/sijn de tonnen aent opperste rondt en
breedt/ende afgaende aent neerste eynde smal ende scherp als hier aengeteeckent
staet/sijn swert ghepect ofte gheteert/leg- ghen al meest opde rechter handt
int uytseylen aende slincker int innecomen/en aede ander zijde opte sanden ofte
plaetsen staen ghemeenlijck de Baeckens met korven boven op in deser manieren
op datmense te verder sien mach. En waermen eenighe houcken ofte sanden soude
moghen onderzeylen syn/ (om dz te verhoeden) witte tonnen gheleydt van desen
fatsoene/ende legghen altijt op de contrarie sijde vande voors. swerte tonnen.
Aengaende de mer- rcken waer by men dese tonnen ende baecken sekerlijcke kan
vinden is in de verclaringe van de voorghenoemde Chaerte ghenoechsaem
uytgedruct. Dan men moet verstaen dat wy dese tonnen ende Baecken alhier
aengheteeckent hebben als de selve int voorleden jaer van 82.gheleyt en
ghestelt sijn gheweest. Ende dat de diepen ende stroomen Jaerlijck seere
verlooopen ende veranderen/overmits d'onghestadighe sandtgronden/ende dat de
gaten beneffens der See seer wijt ende breet werden waer dore dese stromen al
lootsmans water sijn/daermen hem versien moet van goede ..oten. De Capen op de
landen beneffens d'incomen der Rivieren/hebben wy omme de cleynheyts des plaetsen
gheteeckent aldus.
Ende daer goede rede ende Ancker grondt is. T'cijfer ghetal ghestelt omtret
alle havenen/Rivieren/Stroomen/Canalen/binnen en buyten inde Zee/oock op de
ondiepten ende sanden beteeckent hoe vele vademen dese plaetsen diep sijn/ ..
dan 1.2.3.10.12.etc. totten meesten ghetal toe so men dat bevindt staende alles
met half vloedt.
De Cruystens in dese manieren H gheteeckent langs vele Custen beneffens de Eylanden
ende anders/beduyden blinde Clippen onder d'water legghende dienen schouwen
moet/ende waer de Cruycen verdubbelt zijn/syn groote Clippen ende Kudtsen mede
onde d'water legghende.
Op de volgende bladzijde volgt een gedeelte van de tekst voor zover die betrekking heeft op de bebakening.
Het Hollands Betonningsstelsel.
De betonning werd natuurlijk in de loop van de jaren steeds aangepast, maar
bleef veelal toch een plaatselijke aangelegenheid.
In 1888 had men ondertussen al wel een beter opgezet systeem in gebruik, dit is
het zogenaamde Hollandse Betonningsstelsel. Enkele onderdelen van dit systeem
waren:
a. Het gebruik van tonnen ter aanduiding van vrijliggende gevaren en tonnen
voor het gebruik als buitenbetonning.
Voorbeeld: De buitenbank Noorderhaaks
werd gedekt door een zwart-witte verticaal gestreepte ankerboeivormige ton met
een zwarte bol.
Ten zuidwesten van de Keizersbult lag
een rood / wit horizontaal gestreepte ton met een rode halve bol.
De zuidwest punt van de Noord
Steenbank werd gedekt door een rood / wit diagonaalgewijs geruite ankerboei.
b. Aanlopers of uitertonnen.
Voorbeeld: In het Oostergat was de
aanloopboei een rode ankerboeivormige boei met topkorf.
In het zeegat van Brouwershaven was
de aanloopboei een zwarte Herberts-ton met Nederlandse vlag.
c. Tonnen ter begrenzing van de vaargeul of het vaarwater van een zeegat.
Stuurboordzijde witte en bakboordzijde zwarte tonnen met cijfers aangegeven,
soms nog een letter toegevoegd.
d. Wraktonnen zijn zwart-wit geblokt, een uitzondering hierop was de uiterton
van het Bokkegat, deze ton was namelijk ook zwart-wit geblokt.
Betonningsmagazijnen, -werkplaatsen
en -terreinen.
De inrichting en de grootte van een betonningsmagazijn met bijbehorende
werkplaatsen en terreinen hangt af van de grootte van het te behandelen gebied
en van de organisatie van de betonningsdienst.
De ligging is belangrijk met het oog op het transport van de
betonningsvoorwerpen van en naar het werkgebied. Omdat dit transport
herhaaldelijk voorkomt is een zo centraal mogelijke ligging in het werkgebied
noodzakelijk. Een goede verbinding met het achterland is belangrijk en de
werkhaven moet voorzien zijn van ruime steigers en ligplaatsen.
Wanneer deze haven achter sluizen of bruggen gelegen is kan dit bij de
werkzaamheden steeds tot aanmerkelijke vertraging leiden.
De inrichting voor het opslaan van betonningsmateriaal en de plaatsen van de
schepen kregen vroeger geen bijzondere aandacht. De houten voorwerpen moesten
destijds half november het water uit zijn en eind februari weer in het water
liggen; voor de opslag gebruikte men toen schuren of overdekte ruimen. De
hoofdzaak was dat de houten tonnen tegen directe straling van de zon waren
afgedekt.
Als de betonning verzorgd werd door de gemeentebesturen werden de materialen
opgeslagen in de zogenaamde stadstuinen en stadsschuren, wat niets anders waren
dan opslagloodsen en werkplaatsen van de betreffende gemeenten. Hier werden de
reparaties ook wel uitgevoerd. Als de bakenaars de betonningsvoorwerpen
verzorgden, moesten zij zorgen voor een goede opslag, zoals in hun contract
vermeld stond.
Reparaties werden soms uitbesteed aan particuliere smeden en kuipers. In
Vlissingen waren dit bijvoorbeeld in het begin van de negentiende eeuw de
firma's J. Sterzenbach en G.P. Maarsen.
Daar werden zelfs de betonningsvoorwerpen van andere gemeenten zoals Antwerpen
aangemaakt, om daarna (met landsgelegenheid) verstuurd te worden.
Deze heeft tot kort na 1836 geduurd, toen besloot men veranderingen aan te
brengen. Deze werden aangekondigd in enkele Koninklijke Besluiten, waaronder
die van 14 januari 1853 No. 54 betreffende de organisatie van het Loodswezen.
In dit K.B. staat in artikel 7 e.v. vermeld:
Art. 7
Er zal een Algemeen Magazijn bestaan waarin tonnen, kettingen en verdere
bakenvoorwerpen vervaardigd en voor zoo verre zulks zonder bezwarende kosten
van vervoer kan geschieden, alle grote herstellingen gedaan zullen worden. Dit
Algemeen Magazijn zal te Enkhuizen gevestigd zijn. Een voldoende voorraad aan
tonnen en kettingen, "wightstenen" en hun toebehoren zal voor elk
district en daartoe in de nabijheid der zeegaten gesitueerde geschikte
Magazijnen of bergplaatsen aanhanden gehouden worden, om in de dadelijke
behoeften te voorzien. Het bergen of bewaren der alzoo in ieder district in
voorraad te behouden betonningsvoorwerpen geschiedt behalve in het Algemeen Betonningsmagazijn
te Enkhuizen, in de navolgende daarvoor bestaande of aan te schaffen Magazijnen
of bergplaatsen.
In de Magazijnen te Groningen, Hellevoetsluis, Brouwershaven en te Vlissingen;
tevens dienende tot herstelling van de voorwerpen in die kwartieren en in de
bergplaatsen voor waardeloze voorwerpen (reserve) op Ameland, Terschelling,
Harlingen, Willemsoord en Brielle.
Art. 8
Het dagelijks toezigt over het bestuur der werkzaamheden en het Algemeen
Betonningsmagazijn wordt onder de orders van den Inspecteur-generaal gevoerd,
door eenen daartoe te benoemen opziener tevens magazijnmeester met toevoeging
zoveel nodig van eenen daartoe geschikt en bekwaam geoordeeld wordende
werkbaas.
Algemeen Betonnings Magazijn.
Zoals we al eerder hebben kunnen lezen verzorgde Enkhuizen de betonning van de
zeegaten die toegang gaven tot de Zuiderzee. Deze werkzaamheden waren zeer
omvangrijk.
Voor een verder uitbreiding van deze werkzaamheden in de voormalige stadstuin,
welke in de zeventiende eeuw was gebouwd en in 1768 was vernieuwd, werd deze
stadstimmertuin in 1837 dan ook doelmatiger ingericht. Er werd o.a. een nieuwe
smederij gebouwd voor het vervaardigen van de benodigde kettingen en tonnen. "De
gebouwen met de daaraan grenzende huis en erf benevens de daarlangs zich
uitstrekkende wal zijn door de stadt verkregen bij akte van overdracht tussen
het departement van Marine en Burgemeester en wethouders der stad Enkhuizen
d.d. 25 April 1836".
Vanwege de zich steeds uitbreidende werkzaamheden waren er zo nu en dan
nieuwe uitbreidingen nodig. Zo werd in 1856 voorgesteld om de tonnenbranderij
te veranderen, zodat met vier vuren kon worden gewerkt. Het magazijn bestond
uit een kuiperij, smederij, branderij en nog diverse droogzolders.
Personeel
Het hoofd van dit Algemeen Betonnings Magazijn had omstreeks 1850 de titel van
opzichter en magazijnmeester, later gewijzigd in directeur.
Het aantal personeelsleden wisselde nogal eens, zij bestond uit een vaste kern
met een aantal losse werklieden. In 1862 bedroeg het aantal smeden zeven en
waren er tweemaal zoveel tonnenmakers. Naarmate de houten tonnen in het begin
van deze eeuw meer door ijzeren werden vervangen, liep het aantal tonnenmakers
terug, in 1905 waren het er nog maar vier.
Het tonnenmakersvak was een specialistisch vak en mag beslist niet gelijk
gesteld worden met het kuipersvak. In een verhandeling over salarissen uit 1848
werd een gelijkstelling van salaris van tonnenmakers met kuipers niet redelijk
gevonden, omdat het werk van eerstgenoemden meer bekwaamheid vereiste. Dat deze
mensen zeer vakbekwaam zijn geweest, blijkt steeds weer uit de destijds
gevoerde correspondentie. De voorwerker-tonnenmaker was belast met "de
duigen op de bladen af te delen", terwijl losse krachten de duigen
uitzaagden; andere tonnenwerkers werkten de duigen vervolgens af en stelden ze.
De losse werkkrachten werden steeds aangenomen, afhankelijk van het aantal dat
gemaakt moest worden.
Na het voorjaar werd hen medegedeeld "dat zij zich moesten voorbereiden
tot het ondergaan van een ontslag". Geprobeerd werd altijd om de
gehuwden zo lang mogelijk in dienst te houden.
Het gereedschap.
Tot het handgereedschap in de werkplaatsen behoorde in 1880 o.a. Engelse zagen,
schulpzagen, diverse vijlen en beitels, boren, avegaars, ijzeren potten en
loodlepels, schaven, smidstangen en smidsvoorhamers. In 1892 werd t.b.v. de
aanmaak van ijzeren tonnen een pons- en knipmachine aangevraagd, in 1893 werd
een boormachine aangeschaft en in 1894 een houtzaagmachine en een
bandenbuigmachine.
Reparatie van het betonningsmateriaal.
Tijdens het bestaan van het Algemeen Betonnings Magazijn is het steeds zo
geweest dat de grote reparaties aan de betonningsvoorwerpen daar gebeurde; de
kleine reparaties werden uitgevoerd door de plaatselijke smid en kuiper, in de
eigen werkplaats of op het betonningsmagazijn. In het begin van deze eeuw
maakte men nog onderscheid tussen de reparaties van de houten en ijzeren
tonnen.
Houten tonnen.
Het repareren van de houten tonnen werd overgelaten aan de smid en kuiper.
Tijdens de middeleeuwse scheepvaart werden de houten tonnen 's winters uit de
vaarwaters gehaald en opgeslagen aan de wal. Men moest de tonnen zo snel
mogelijk onder dak brengen i.v.m. het opentrekken van de naden, lekkage was
namelijk het grootste euvel van de houten tonnen.
Voordat ze na de winterperiode weer uitgelegd werden, moesten de tonnen op
lekkage worden onderzocht.
Een goede manier om lekkage ongedaan te maken was het branden van de tonnen met
behulp van stro. Men deed dit branden in de eerste plaats om de paalworm te
bestrijden, maar bovendien om de pek en teer te laten smelten, waardoor
eventuele gaatjes of scheuren volliepen. Om te controleren of de ton waterdicht
was, werd in de ton een lichte overdruk gebracht met behulp van een blaasbalg.
De grote reparaties waaronder het verkuipen, werden doorgaans in het Algemeen
Betonnings Magazijn uitgevoerd. Doordat de voorwerpen in een centrale plaats
werden aangemaakt, werd een zekere eenheid verkregen in de aangemaakte
voorwerpen, die volgens de expeditieboeken door heel Nederland verscheept
werden. Het aantal aangemaakte tonnen was vrij aanzienlijk en bedroeg in 1864
145 stuks en in 1867 283 stuks. In 1893 werd begonnen met de aanmaak van
ijzeren tonnen. Dit betekende eigenlijk het einde voor het Algemeen Betonnings Magazijn,
want in 1905 moest de toenmalige directeur erkennen dat hij tegen de prijzen
van de fabrieken, die steeds scherper gingen concurreren, niet op kon. In het
begin van 1894 verschenen er een bericht in de krant, waarin stond dat het
Algemeen Betonnings Magazijn zou worden opgeheven en dat de stalen tonnen in
Duitsland zouden worden vervaardigd. Door "Den Haag" werd dit
ontkend. Het zou echter niet lang meer duren. In 1908 werd de aanmaak van zowel
ijzeren als houten tonnen gestopt, en het nog aanwezige wagenschot werd
verbruikt om een steiger in Vlissingen en Bath te bouwen. Wat er nog aan
personeel aanwezig was, werd verdeeld over de Rijkswerven te Amsterdam en
Willemsoord.
Onderhoud van het betonningsmateriaal.
Het onderhoud valt uiteen in twee onderdelen, namelijk het repareren en het
conserveren van het materiaal.
De schade aan de houten tonnen ontstond vroeger vaak door aanzeiling of door
ijsgang. Ook de schade veroorzaakt door de paalworm en door verrotting was
aanzienlijk. Met teer en het gebruik van giftige verven probeerde men deze
aantasting door de paalworm zoveel mogelijk tegen te gaan. Stonden de naden van
de tonnen erg open, dan gebruikte men tin, lood, breeuwwerk en harpuis om ze
dicht te krijgen. Na de behandeling gingen de tonnen voor proef te water
gedurende een periode van acht à tien dagen om verder dicht te kunnen trekken.
Als voorbeeld volgt hier een reparatiebegroting van een ankerboeivormige ton
van de tweede groote (1902)
Gedeeltelijk afnemen en weer aanbrengen der
banden ƒ 7,20
Hout voor tien duigen
9,65
Afschrijven, zagen, schaven, maken en branden van 10 duigen 8,75
Het inzetten van nieuwe proppen 6,25
Het inzetten van tien nieuwe duigen 9,50
Het afnemen van het beslag
0,90
Het herstellen van het beslag 4,25
Aanbrengen van het vernieuwde beslag 4,85
Verven ton
2,35
------
Totaal ƒ 53,70
De grote magazijnen voerden de reparaties steeds meer in eigen beheer uit.
Zeer grote reparaties werden en worden nu nog, uitbesteed. Nu is de moderne
werkplaats van een betonningsmagazijn hoofdzakelijk uitgerust voor het bewerken
van ijzer. Hoewel nu het werk in de werkplaats hoofdzakelijk de stalen tonnen
betreft, is er voor de houtbewerker nog steeds voldoende werk. Zijn taak is het
repareren van dagmerken en maken van toptekenbordjes, terwijl een gedeelte van
zijn werk bestaat uit reparaties aan boord van de schepen en in het magazijn.
===============================================================================================================
II De geschiedenis in Zeeland.
Hertog Albrecht van Beieren heeft rond het jaar 1400 de handel sterk bevorderd.
In 1370 gaf hij opdracht voor het oprichten van een vuurbaak te Westkapelle; “om
vier te barnen op die vierboet te West-cappel, om stadiglick vier te branden
van deze tijd”.
De binnenkomende schepen moesten betalen “tot onderhoud van vier en
menschen”. In 1398 stortte deze vuurbaak weer in, door de oprukkende zee,
die duin na duin verslond.
”Albrecht bij Gods genade doet condt allen luden, dat die vuerbaeke van
Westcappel nedergevallen en gestort is voor onze stede van Westcappel”.
Dit was één van de eerste berichten aan zeevarenden. Direct daarna mocht
West-kapelle de “zeevond gebruiken om daaruit te vinden de kosten tot het
maken van een nieuwe vierbaak”.
Veel huizen begaven het ook, evenals de oude kerk. Er werd een nieuwe
gebouwd op de plaats waar nu nog de vuurtoren staat, wat de toren was van deze
nieuwe kerk, die in 1470 werd voltooid. Eeuwenlang is dit bouwwerk al een
landmerk voor vissers en andere zeevarenden.
Op Schouwen bloeide de visserij.
Vanuit Zierikzee was er in 1368 veel vaart op de landen rond de Oostzee, en in
Brouwershaven kwam er in 1344 een vrije haringmarkt. Westen Schouwen was
daarvóór al een grote handelsstad.
Op dit eiland zou koemest vermengd met klei als brandstof gediend hebben voor
de vuren.
Op 12 maart 1352 gaf Hertog Willem aan Zierikzee toestemming “een landteken
te setten in den dunen van Scouden daer alle coman vreemde en andere by seylen,
en mogen haer lyf en goed by te bergen”.
Voor de kosten werd teykengeld
geheven, tenzij in andere landen onze schepen daarvan waren vrijgesteld, want
dan werd het wederkerig niet gedaan.
Er staat ook nog beschreven dat: “De Banjaard met het diep van de Kreeke,
daar door de vissers in ende uit de Noordzee loopen, bij dage geholpen werdende
met de houte bakens, die men Caapen noemde, ende op de Schouse duinen voor
torens gemaakt worden, ende des nagts met de vierbouten, dat is kleine
wagthuiskens, daar men in de nagt vier opsteekt, alles tot koste van de stad
Zierikzee, tot gerief ende welvaard van de Vischerije, daar meer alleen dan in
geheel Zeeland gesamentlijk floreerde”.
De stad Den Briel komt de eer toe het allereerste bericht over een
vuurbaken te hebben nagelaten, dezelfde stad die in de geschiedenis van de
visserij ook de eer heeft gehad om in 1164 de eerste haringvissers te hebben
zien uitvaren.
Sinds 1280 bezat Den Briel al het “Caap- en Vierboetrecht” en werden er
tenminste twee vuren brandende gehouden voor het aanlopen van de Maasmond bij
nacht.
Machtild van Voorn ging “in den jaare 1348” een opmerkelijk verdrag aan
met de” koopluiden van Duitschland over het stellen van Vuurbaken en het
leggen van Tonnen in de Mond der Maaze”.
Voor het regelen van alle zaken rondom de scheepvaart en de haringvangst
kwamen, met ingang van het jaar 1495, jaarlijks gedeputeerden van Dordrecht,
Den Briel, Rotterdam, Veere en Keulen op de zondag na Pinksteren in Den Haag
bijeen “omme aldaer malkanderen te kennen te gheven van den gebreken”.
Sinds 1544 hield de Brielse regering een Memoriaelbouck bij en daarin
staat, dat er toen een houten en een stenen kaap aanwezig waren, want ene
Ariaen Aertsz. zou “op elcke vierboete een smit met twee blaesbalgen met een
oochijzer leveren”. Ook de vloeren en de trappen moesten worden gerepareerd
en “voorts noch een block met een coerde omenen stookinge mede op te
haelen”.
Er werd toen ook bepaald dat de bakenstokers elke avond het vuur moesten
ontsteken als zij de toren van 's Gravenzande niet meer konden zien.
Pas als deze 's morgens weer zichtbaar was mochten de vuren worden gedoofd.
Het was toen rond Den Briel een woelige tijd, want dan weer moesten de kapen
worden afgebroken, dan weer opgebouwd. In 1552 was er maar één houten kaap,
waarop Jan Ariaensz. Bom in de lantaarn de hele nacht door kaarsen zou branden.
In 1568 moeten er weer twee capen gestookt worden waarvan Ariaen
Piersz., Cornelis Lenertsz. Bouffgen en Oens Thonisz. aan de burgemeester Yeman
Huygensz. zweren dat ze dit “wel en getrouwelijck” zullen doen. In 1633
wordt aan de oud-loods Thonis Haddesz. het volgende privilege verleend “vermits
zijn impotentheijt voor de aenstaende winter op het baecken staende op den
heijndijc te mogen stoocken in plaetse van opt uyterste baecken”. De oude
man was dus waarschijnlijk niet meer in staat zo 'n eind te lopen en te
sjouwen.
Nog steeds staat bij Den Briel het Stenen Baken, uit het jaar 1630 welke
als vervanger van een houten Cape is gebouwd. De houten kaap was "in dienst van de visserij"
afgebrand.
Met het teruglopen van de grote vaart langs Den Briel is het Stenen Baken
tegenwoordig van geen belang meer.
Evenals het Brielse gat kan het zeegat van Goeree, het Haringvliet, welke naam
de herinnering aan het belang van de haringvisserij in de middeleeuwen levendig
houdt, bogen op een rijke historische ontwikkeling.
De naam van de plaats Goeree duidt er op dat de stichters ervan per schip zijn
aan gekomen ("Goede Reede").
In een gedicht uit 1680 van H. van Dam wordt er op gezinspeeld dat de plaats al
vóór 1080 beroemd moet zijn geweest voor de scheepvaart.
Ook uit andere bronnen blijkt dat omstreeks 1050 het zeegat van Goeree meer
geschikt was voor grote schepen dan “'t Veere gat ofte die Wielinge”, de
huidige monden van de Schelde.
De dagmerken zullen weer de belangrijkste bakens zijn geweest, die echter vaak
verplaatst moesten worden vanwege de
oprukkende zee en het stuivende zand.
De verkenningsobjecten die zich het langst hebben kunnen handhaven zijn de
kerktorens, namelijk die van Ouddorp, gebouwd in 1348 en die van Goedereede,
die door dezelfde bouwmeester als van de Brielse toren is gebouwd en in 1512
gereed kwam.
In het jaar 1552 werd de kerktoren van Goeree eigendom van de staat, waarna de
spits werd verwijderd en er een kolenvuur op werd gestookt. In de eerste tijd
brandde het alleen in de nachten van 1 december tot 1 maart, later werd de
periode verlengd van 1 september tot 1 mei en pas aan het einde van de 17e eeuw
werd er elke nacht gestookt.
In de "Walcherse Arcadia" (Vlissingen 1746) wordt als volgt over de
"bakenaars" gesproken: "Daartoe zijn ook Bakenaars, die met
bolbakens, tonnen en rijsstaken, naar vereisch en aard der plaatsen den zeeweg
door plaatsen en droogtens heen banen. Ieder Bakenaar weet, waar hij bakenen
moet en de schepen die hier ten anker komen, zijn wegens hunnen bodem, zelver
anker-recht schuldig, te betalen binnen 24 uuren ten huize van den
waterbaillu".
In 1797 heeft de Engelse Admiraal Knight op een nieuw verschenen kaart
nauwkeurig beschreven hoe onze kust er omstreeks die tijd uit heeft gezien.
Hij vermeldt de stad Sluis, ten oosten van Blankenberge, en het eiland van
Cadzand, waarop een kerk met een naaldtoren in het midden. Noordwaarts daarvan
het eiland Walcheren, met een stompe toren te Westkapelle en een zeer hoge
toren van Middelburg, gemakkelijk te zien vanuit zee. De bakens op zee waren
weggenomen en “Het Lood is in alles de beste Leidsman”.
Van Veere vertelt hij, dat daar een vuur brandde dat tussen twee schermen
doorscheen, zodat het alleen zichtbaar was in het vaarwater, een z.g.
sectorlicht.
”Bij het inlaveeren in acht te nemen, om zodra het licht verdwijnt, alsdan
te wenden, over welke zijde gij ook mogt overleggen”.
Knight noteerde verder dat ten oosten van Schouwen het eiland Goeree ligt
waarop zich een grote vierkante toren bevond met daarop 's nachts een brandend
vuur.
Bij Ouddorp stond een naaldvormige baak. Ten oosten van het Goereese gat is het
eiland Voorne, waarop een vuur is geplaatst voor het inzeilen van het Brielse
Gat.
Op het voormalige verdronken land Coudekerc heeft een kerktoren gestaan. Het
gebied is rond 1750 verloren gegaan.
De toren stamt vermoedelijk uit de 14e eeuw, en heeft in latere
jaren gefungeerd als baken voor de scheepvaart.
Wat is er nu zoal bekend van het Zeeuwse
bakengeld?
Uit de Numismatische Geschriften van mej. Marie G.A. de Man, met o.a. artikelen
over Zeeuwse loodjes, heb ik de volgende gegevens ontleend;
De te bespreken loodjes stammen uit de tijd dat Zeeland zich aansloot bij de
Franse beweging in ons land.
De loodjes werden verstrekt door de bakenaar als bewijs dat men het
verschuldigde tonne- of passagegeld voor zijn schip had betaald, zoals de
verordeningen voorschreven.
1. Op de voorzijde staat: "DE/TONNE/VAN/KLOOT"
en op de keerzijde het jaar tal 1793 waarboven in een kader "4.G.L" is gestempeld.
Het beschreven loodje maakte deel
uit van de verzameling van mej. de Man en is in haar boek afgebeeld op plaat IV
no.1.
De Caloot, in de wandeling doorgaans
Kloot genaamd, was een met tonnen of bakens voorziene zandbank, of plaat op de
Westerschelde, die elk naar Antwerpen varend schip moest passeren.
Het loodje was dus een bewijs dat
men de verschuldigde vier gulden had betaald.
Als een schip in de omtrek van
Schouwen of Veere verging zeiden de schippers dat het gestrand was op de
Banjert.
Ook de Caloot is een algemene
benaming voor alle ondiepten in de Westerschelde.
2. Van het hierna te beschrijven loodje bezat mej. de Man twee verschillende
exemplaren.
Het oudste is indertijd bij
Antwerpen in de Schelde gevonden.
Vz: "HET SLOE", waaronder vermoedelijk "&c&c"
Kz: op het ene exemplaar 1796 en
ingestempeld met "I2", op het andere exemplaar 1811 en ingestempeld
met "30".
Afgebeeld op plaat IV no.2 en 3 in
het boek van mej. de Man.
Het Sloe is het oude vaarwater,
tussen Walcheren en Zuid-Beveland, dat ondanks de ondiepten regelmatig door
schepen gepasseerd werd en in oorlogstijd veelal bezet was.
Het is thans (" 1900) door de
spoordam in het midden doorgedeeld en is bezig te verzanden.
Mej. de Man wijst er op dat de
cijfers 12 en 30 misschien geld zijn geweest wat men moest betalen; "het
kan evenwel ook een nummer teken zijn geweest, wat echter het minst
waarschijnlijk is",
(Een waarde lijkt mij zeer
waarschijnlijk n.l. 12 en 30 stuivers, AK).
In het boek van L. Minard-Van Hoorebeke
"Brabantsche & Vlaamsche Gildepenningen presentie-, kerk- &
armloodjes van de XVe tot de XVIIIe eeuw", deel 3
uit 1879, wordt een vergelijkbaar loodje omschreven bij de stad Mechelen op
bladzijde 212 nr. 385. Het betreft hier een armenpenning van de Sint
Romulduskerk met de volgende tekst: "HET LOF. / &c.&c", op de
andere zijde: "20 / 1791".
Men zou zich af kunnen vragen of deze toeschrijving wel terecht is. Op een afgesleten exemplaar zouden de teksten wel
eens op elkaar geleken kunnen hebben.
3. Van Sas van Gent zijn loodjes van verschillende jaren bekend. Het
oudste dateert van 1790, terwijl het jongste het jaartal 1829 draagt.
Hierna volgt de omschrijving van de
vier loodjes welke aan mej. de Man bekend waren van Sas van Gent:
3.1 Voorzijde in grote letters "SAS", daaronder het jaartal
"1790", waaronder het cijfer "12" (stuivers).
Keerzijde: een wapenschild van boven
gescheiden, rechts en links een leeuw, daarboven een kroon.
Rond, lood, plaat IV no.4.
Het wapen van dit exemplaar was
teveel afgesleten om het volledig te beschrijven. Het beschreven wapen zou van
Willem V kunnen zijn.
3.2 Als voren met het jaartal "1794"
3.3 "SAS", daaronder "1819", geheel onderaan "6"
(in een rond compartimentje) "St".
Eénzijdig.
Verzameling wijlen de heer De
Schodt te Brussel.
3.4 "SAS", daaronder "1829", geheel onderaan "18
ST" ingestempeld.
Verzameling De Schodt. Plaat IV
no.5.
Al in 1749 verzocht de regering van Sas van Gent aan Zijne Hoogheid om een
passagegeld op passagiers te mogen heffen en wel 4 stuivers op passagiers naar
Holland en 2 stuivers voor die naar Zeeland gingen. In mei 1750 gaven
Gedepeteerde Staten te kennen, dat zij akkoord gingen met het heffen van
passagegeld, maar dat het te heffen bedrag voor schepen die op Holland voeren
even hoog moest zijn als die naar Zeeland gingen. De tol van Sas van Gent
dateert dus al van oude datum.
In de Cronyk van Zeeland van Smallegange is een heel hoofdstuk gewijd
aan het "Bakenaers ampt".
Onder latere regeringen zijn er nogal wat wijzigingen geweest.
Tot 1835 zijn de loodjes gebruikt; hierna zijn kaarten als een soort kwitantie
ingevoerd.
In het originele boek van mej. de Man kwam ik nog de volgende aantekeningen
tegen:
- Iets dergelijks komt voor met het wapen van Roermond op de vz. en
"WW 1797 12" op de kz. Volgens Minard p. 257 een armenloodje.
- Met "W5 1817" in het Zeeuws Museum.
+
+ - + leeuw
+ + leeuw of
+
- W S(5?) 1832"
toegezonden in brief Gemeente Archivariaat Nassau-Brabant 16-10-1969.
- 04-07-1979 loodje getoond met
vz. wapen Willem V, kz. "MD" (=Sint Maartensdijk? Één van de
heerlijkheden van de prins op Tholen) "1786 24". Waarschijnlijk
bakenloodje.
Getoond door J.C. v.d. Geer,
Aleoten 32, Capelle a/d IJssel.
- Met het jaartal
"1763" en getal "14"? Opgestuurd door Fries Museum,
augustus 1975 (op het hartschild een leeuw)
Door Vinkenborg (1975)
meegebracht met "1721" en "6 st.", en "1782" en
"12"(st.)
In de Franse tijd waren de ton-, baken- en lantaarnrechten in Zeeland rond 1813 als volgt geregeld:
PRÉFECTURE
DU DÉPARTEMENT DES BOUCHES
DE L'ESCAUT.
EXTRACT uit het Register van Besluiten der Prefecture van het
Departement der Monden van de Schelde;
DE PREFECT,
Gezien de decisie van de Heer Directeur generaal van de Bruggen en Wegen, in
dato 27 Januarij laastleden, waardoor het Baken-regt en Lantaarngeld onder een
directie gebragt is.
Overwegende dat de vereeniging der beide regten, die der beide tariven vorderdt:
BESLUIT HET NAVOLGENDE:
Artikel 1.
Te rekenen van den eersten april aanstaande, zullen de regten der oude tariven van het Baken-regt en Lantaarn-geld door een Ontvanger, volgens het bij besluit gevoegde tarif ontvangen worden.
Artikel 2.
De beschikkingen van onze besluiten aangaande de Invordering de oude
regten, zijn toepaselijk op deze regten; de Heeren Maires, de Haven-meesters,
de officieren van de Gendarmerie, of de bedienden der Douanes, zullen den
Ontvanger en (beheerders van) de invordering van het regt, bijstand bieden,
telkens als zij daartoe gerequireerd worden.
Artikel 3.
Dit besluit en het daarbij gevoegde tarif zal in de beide talen gedrukt, gezonden worden aan den Directeur van Baken-regt en Lantaarn-geld, belast met de uitvoering van hetzelve, afgekondigd en aangeplakt op de gewone wijze.
Gedaan in het hotel van de Prefecture, te Middelburg den 17 Maart 1813:
(geteekend) D E B A R O
N P Y C K E:
Voor eensluidend afschrift,
Van wegens de Prefect,
De Secretaris-generaal van
de prefecture:
(geteekend) D U B O S C H.
TARIEF VAN HET VEREENIGDE LANTAARN EN BAKENREGT.
|
|
LANTAARN RECHTEN |
TON en BAKENRECHTEN |
TOTAAL der VERSCHULDIGDE RECHTEN |
|
EERSTE KWARTIER |
|
|
|
|
voor een Schip bioven 30 last iedere reis |
|
1,50 |
|
|
boven 20 last |
|
1,00 |
|
|
boven 15 last |
|
0,75 |
|
|
boven 10 last |
|
0,50 |
|
|
boven 5 last |
|
0,25 |
|
|
die beneden 5 last |
|
0,10 |
|
|
|
|
|
|
|
TWEEDE KWARTIER |
|
|
|
|
voor een Schip bioven 30 last iedere reis |
1,50 |
1,75 |
3,25 |
|
boven 20 last |
1,00 |
1,20 |
2,20 |
|
boven 15 last |
0,75 |
1,00 |
1,75 |
|
boven 10 last |
0,50 |
0,75 |
1,25 |
|
boven 5 last |
0,25 |
0,50 |
0,75 |
|
die beneden 5 last |
0,10 |
0,15 |
0,25 |
|
|
|
|
|
|
DERDE KWARTIER |
|
|
|
|
voor een Schip bioven 30 last iedere reis |
2,50 |
1,50 |
4,00 |
|
boven 20 last |
1,70 |
1,00 |
2,70 |
|
boven 15 last |
1,25 |
0,75 |
2,00 |
|
boven 10 last |
0,80 |
0,50 |
1,30 |
|
boven 5 last |
0,35 |
0,25 |
0,60 |
|
die beneden 5 last |
0,15 |
0,10 |
0,25 |
|
|
|
|
|
|
VIERDE KWARTIER |
|
|
|
|
voor een Schip bioven 30 last iedere reis |
2,00 |
1,75 |
3,75 |
|
boven 20 last |
1,30 |
1,20 |
2,50 |
|
boven 15 last |
1,00 |
1,00 |
2,00 |
|
boven 10 last |
0,65 |
0,75 |
1,40 |
|
boven 5 last |
0,30 |
0,50 |
0,80 |
|
die beneden 5 last |
0,10 |
0,15 |
0,25 |
|
|
|
|
|
|
VIJFDE KWARTIER |
|
|
|
|
voor een Schip bioven 30 last iedere reis |
|
1,00 |
|
|
boven 20 last |
|
0,75 |
|
|
boven 15 last |
|
0,50 |
|
|
boven 10 last |
|
0,25 |
|
|
boven 5 last |
|
0,15 |
|
|
die beneden 5 last |
|
0,10 |
|
De betalingen moeten geschieden voor
het eerste Kwartier, aan de kantoren te Vlissingen en Middelburg, voor het
tweede, aan die te Middelburg, Arnemuiden, Veere en Goes, voor het derde, te
Kolijnsplaat, Zierikzee en te Zijp, voor het vierde te Tholen en te Bath, voor
het vijfde te Tholen.
De Schippers, een of meer kwartieren passerende en welk door hunnen kwitantien
niet kunnen bewijzen de regten betaald te hebben, zullen gebooden wezen dezelve
te betalen aan het kantoor dat hun heeft aangehouden, voor alle de kwartieren
die zij gepasseerd zijn.
Gedaan en besloten door ons Prefect van het Departement, te Middelburg
den 17 Maart 1813.
(geteekend)
P Y C K E
Van
wegens de Prefect,
De
Secretaris-generaal van de prefecture,
D U B O S
C H.
III
LANGS DE HOLLANDSE KUST.
Gaande van Den Briel naar Scheveningen komt men langs Ter Heyde bij
Monster, waar in ieder geval in 1568 ook een Vierboet heeft gestaan, die
in 1629 werd verhoogd en in 1648 werd gesloopt omdat hij in ongebruik was
geraakt.
Voor de vissers van Scheveningen die het heel lang zonder een haven hebben
moeten stellen, was er al in 1531 regelmatig een vissersvuur op één van de
duintoppen ten zuidwesten van het dorp.
Straatnamen in die buurt herinneren er nog aan, zoals Vuurbaakstraat en
Kolenwagenslag, terwijl oude mensen het duin waarop de vuurtoren staat nog wel
de Olieberg noemen.
Opvallend is ook het grote aantal mensen met de achternaam Baak.
De vroeger veelbelovende ontwikkeling van Katwijk werd wreed verstoord door de
geweldige stormvloeden die ons land toen hebben geteisterd.
Met name rond 860 was er een zo hevige overstroming, dat alle bomen omvielen;
van Katwijk tot Nijmegen. Er kwam toen zoveel zand in de mond van de Rijn, dat
deze, net als vele andere rivieren in ons land, een zuidelijker weg ging volgen.
De grote massa van het Rijnwater vloeide toen door de Lek naar de Maasmond en
maakte de voor grotere schepen geschikte vaarweg van Katwijk naar Utrecht nu te
ondiep, zodat ook deze laatstgenoemde stad een geheel andere toekomst tegemoet
ging.
In de middeleeuwen bleef voor Katwijk het enige behoud de visserij. Hiervoor
was er al vóór 1605 een vierboet die echter steeds meer door de oprukkende zee
werd bedreigd, zodat in 1605 een verzoekschrift werd ingediend bij de Prins der
Nederlanden voor het bouwen van een nieuwe. Deze zou geplaatst moeten worden op
een woest stuk grond, des Grafelijkheids Wildernisse.
Het werd een lange procedure maar in 1628 werd het besluit genomen. De Vuurboetmeesters
mochten geld vragen, van de opbrengst van de naar de afslag gebrachte vis,
en wel één duit per Hollands Pond, ter waarde van vijftien stuivers. Dit geld
was nodig voor de betaling van de Brand en andere onkosten voor de Vuurboet
tot Katwijk op See. Een schrijver moest daarvan een nauwkeurige boekhouding
bijhouden.
Ook bij Noordwijk, al in 1444, en bij Zandvoort en Wijk aan Zee zijn ooit
vissersvuren geweest.
Tegelijk met de verandering van de loop van de Rijn is het eiland Texel
losgescheurd van de Hollandse kust, en hierdoor ontstond het Marsdiep. Een
historische vuurtorenplek is daar Huisduinen, waar ongetwijfeld ook vissers
woonden en werkten. Voor de handelsvaart op de Zuiderzee waren de merken op die
plaats echter ook van groot belang.
Op 6 mei 1452 kreeg Amsterdam van Philips van Bourgondië het
"paalkistrecht-privilege": het recht om vuur- en paalgeld te heffen.
Amsterdam moest dan echter wel het Marsdiep, het Vlie en de Zuiderzee voorzien
van zeetonnen, zee- en vuurbakens. In 1572 ging dit recht, met de plicht, over
naar Enkhuizen.
In 1598 stond er een vuurbaak op Kijkduin bij Huisduinen wat in het begin
gestookt werd van september tot mei, zoals de meeste vissersvuren.
Volgens een verklaring van 29 februari 1604 is een andere toren in 1600 door de
zee vernield: “Buiten die plaatse daar over vier jaren den thorn plag te
staan, 't welck merck en baken in Zee was, om scheepen bij inne te comen, die
nu mede bij de Zee omgeslagen is”.
Zelfs op de Haaks-Gronden, waarvan de betekenis vermoedelijk afkomstig is
va het "haken" van de netten, heeft drie eeuwen tevoren een baak gestaan
middenin de bossen.
Op het eiland Texel zijn het vooral de kerktorens geweest die de zeevarenden
als merken dienden, zoals de toren van "De Westen", in 1414 al
aanwezig, maar in 1859 afgebroken en van "Den Hoorn", waarvoor de
dienst van het loodswezen nog lang een deel van de onderhoudskosten betaalde.
Oostelijker dan Texel was een voor de zeevaart zeer belangrijke opening tussen
de Waddeneilanden, namelijk het Vlie tussen Vlieland en Terschelling. Op Sante
Michielsavond (28 september) 1323 werd in Kampen een oorkonde getekend waarbij Claes
righter van der Schelinghe met de stad Kampen overeenkwam “eijn
vuerhuijs of eijn merke” op te richten om schade aan lijf en goed bij het
inzeilen van het Vlie voor de handel op Kampen te voorkomen. Kampen zou de
materialen voor de bouw leveren en Terschelling zou in ruil daarvoor de schepen
uit Kampen vrij gebruik laten maken van het merk. Kampen richtte een baken op
zodat de schippers van verre de Vlie tussen Vlieland en Terschelling konden
herkennen. Kampen zorgde ook voor tonnen in de Vliestroom (het zeegat tussen
Vlieland en Terschelling) en later ook het Marsdiep.
Het volledige afschrift in het Privilegieboek luidt als volgt:
”Claes richter van der Schelinge, zijne mederichters en het gemeene lant van
der Schelinghe verklaren, dat zij, om schade aan lijf en goed bij het inzeilen
van het Vlie te verhoeden, met de stad Campen overeenkomen zijn, om, "eyn
voerhuys of eyn mercke" te leggen, en daar deze stad den steen, daar het
"voerhuys" mede gelegd, en de balken, daar het mede gebalkt werd,
bekostigd had, zoo zouden de burgers, noch hun goed noch hunne schepen, geene
"beschatting of gheldine" geven tot dit "voerhuys en
merke," om het Vlie in of uit te zeilen. Wilde die stad hierna een ander merke
leggen om het Vlie over te zeilen, dan zoude men haar gunnen en toestaan,
behoudens al het voors. regt. "Geg. int jaer "ons heren dusent drie
hondert en drie en twentich op sante "Michielsauent." (28
september).
Dat Kampen een baken op Terschelling liet oprichten voor de scheepvaart is niet
verwonderlijk. Het was immers deze IJsselstad, die zich door haar gunstige
ligging aan zee en aan een belangrijke riviermonding door haar grote Oostvaart
(naar de Oostzee) en haar lidmaatschap van de Hanze opgewerkt had tot de eerste
koopstad van de Nederlanden. De stad had er het allergrootste belang bij dat de
vaart door Vlie en Marsdiep ongestoord en regelmatig plaatsvond. Twee
voorwaarden moesten hiertoe worden vervuld: de veiligheid tegen zeerovers en
andere vijanden, waarvoor Kampen een aantal oorlogsschepen over de Zuiderzee
liet patrouilleren en in de tweede plaats een betrouwbare aanduiding van
vaarwaters en ondiepten, de betonnng dus.
Het is voor de hand liggend dat een stad die hierbij het meeste belang had,
deze maatregelen maakte tot een "voorwerp van bijzondere zorg".
De betonning van de zeegaten en de vaarwegen over de Zuiderzee kostte de stad
natuurlijk geld en alle andere zeesteden profiteerden mee van deze voorziening.
Hierom besloot men al snel van alle schepen op de Zuiderzee een vergoeding te
vragen voor de onderhoudskosten van tonnen, bakens en kapen, het z.g. "paalgeld". Dit woord wordt
wel in verband gebracht met een paal, waarop een lantaarn die als baken diende.
Het "paalgeld werd gestort in de "paalkist", beheerd door het
college van "paalmeesteren", benoemd door de stadsregering.
Het paalgeld diende o.a. voor de aanschaf en het onderhoud van tonnen en bakens
langs de scheepvaartroute, vuurbaken en kapen, houten stellages als landmerken
op uitspringende punten aan de kust of op eilanden langs de route. Een vuurbaak
markeerde 's nachts door brandende takkebossen, later door een kolenvuur de
vaarweg. Het onderhoud werd verricht door de "tonneman", door paalmeesteren aangesteld, die het toezicht had in
een bepaald district. In het Marsdiep en het Vlie voeren controleurs rond, die
de penningen van de kapiteins inden en als bewijs van betaling een loodje
uitreikten.
Men was koopman genoeg om het tarief zodanig te stellen, dat er flink aan
verdiend werd. Dit verklaart ook de vele twisten tussen de voornaamste
zeesteden over het bezit van het paalrecht.
Met deze winst werd één of ander sociaal doel nagestreefd, bijvoorbeeld
uitkeringen aan de weduwen van in stadsdienst omgekomen loodsen of, in
oorlogstijd, om de stad te versterken.
De oudste vermelding van het paalrecht door Kampen is de verklaring, in de
aanhef vermeld, van Claes van Terschelling. In 1334 gaven de Kampense schepenen
geld uit voor tonnen in het Vlie en ontvingen zij in ditzelfde jaar een bedrag
aan paalgeld van Zutphen. In 1389 ontving de "heerscap ende
grietman" van Terschelling van Kampen 11 "coepmans Rijnsche
guldens voor de tonnen te bergen".
Ook de betonning van het Marsdiep was destijds in handen van Kampen. Maar tegen
het einde van de veertiende eeuw begon ook Amsterdam deel te nemen aan de
betonning. Bij de toenemende scheepvaart benoemde Amsterdam een college van
paalmeesteren, dat de inning van het paalgeld ter hand nam en dit in de
paalkist stortte.
Kampen kreeg nu voortaan een vast bedrag van Amsterdam, dat geleidelijk werd
verhoogd, als gevolg van de scheepvaart. In de 15e eeuw ging Amsterdam zelf
tonnen leggen.
Omstreeks 1500 werd de bloei van Kampen beëindigd door de voortdurende oorlogen
tussen Karel V en de Hertog van Gelre. In 1527 kwam voor de stad het tastbare
einde. In dat jaar werden n.l. de zeetonnen (32 stuks) aan Amsterdam verkocht,
dat hiermee het alleenrecht verkreeg om de Zuiderzee en de zeegaten af te
bakenen.
Amsterdam groeide alle andere havensteden over het hoofd, tot schade van de
concurerende havens Enkhuizen, Hoorn, e.a. Zodra er zich een gelegenheid
voordeed, nam dan ook Enkhuizen de kans waar om het recht van paalkist van
Amsterdam af te nemen. Deze gelegenheid kwam in 1573, nadat Enkhuizen, gevolgd
door de andere "watersteden", zich aan de zijde van de Prins van
Oranje had geschaard, terwijl de hoofdstad nog de Spaanse zijde hield.
De poging van Enkhuizen had succes en bij handvest van 9 februari 1573 werd aan
deze stad het recht van paalkist gegeven, door de Prins van Oranje als
stadhouder van de Koning van Spanje (het was nog vóór de afzwering). De kroniek
van Brandt zegt hiervan, dat "die van Amsterdam, sich als vyanden
stellende tegens de gemeene Staeten van Hollandt en met Alva en sijn
Spanjaarden t'samen spannende, verklaert wierden van 't voorsz recht vervallen
te sijn: voorts wierdt het de stadt Enkhuisen gegeven, ten insien van de goede
getrouwigheit, den Koning en den lande geduuriglijk bewesen; om 't genot en
voordeel daer van komende, tot verstercking en onderhouding hunner stede en
haven te besteden".
Dit was dus een zeer grote triomf voor Enkhuizen en het is te begrijpen, dat
Amsterdam, toen het zich in 1578 ook van de Spaanse troepen ontdaan had, het
paalkist-recht terug eiste.
Enkhuizen wilde het juist verworven recht, als beloning voor haar flinke
houding bij de opstand, natuurlijk niet afstaan en zo werd de zaak voor de
Staten van Holland en West-Friesland gebracht.
Deze besliste in het voordeel van Enkhuizen, dat sindsdien tot vér in de 19e
eeuw het recht van paalkist heeft behouden.
Tenslotte is het betonnen van zeegaten en vaarwaters gecentraliseerd en
geworden tot het werk van de Rijksbetonnings- en verlichtingsdienst.
In de 14e eeuw lag het zwaartepunt van de handel en scheepvaart vooral in het
oosten van ons land met langs de IJssel de Hanzesteden Kampen, Zwolle, Deventer
en Zutphen.
Noordelijker Bolsward en Groningen, en zuidelijker Nijmegen, Roermond en Venlo.
De kustverlichting volgde de ontwikkeling van de scheepvaart op de voet als een
min of meer natuurlijk proces. Dit getuige de argumenten als “om schade aan
lijf en goed te voorkomen, den coman tot oech ende merck en mogen haer
lijf en goed bij te bergen”. Zou er niets gedaan zijn om de plaatsbepaling
met vuren of kapen mogelijk te maken, dan zou de handel er onder zijn gaan
lijden.
Enerzijds omdat de kapiteins er niets voor voelden een al te riskante tocht te
ondernemen, en anderzijds omdat de kostbare ladingen gevaar liepen met grote
vertragingen of helemaal niet aan te komen.
In het begin was het steeds het volgen van de scheepvaartontwikkelingen dat de
aanleiding gaf tot het stoken van vuren en het oprichten van merken.
Bij stranding van een schip zal men toendertijd ongetwijfeld wel eens stil
gestaan hebben bij het oprichten van een vuur. Naast de vissersvuren ontstonden
er daardoor ook zeevuren, welke in het bijzonder voor de handelsvaart werden
opgericht. Ze weerspiegelden de ontwikkeling van de zeevaart en hebben daarom
zeer nauw te maken met de geschiedenis van ons land.
Deze geschiedenis vertoont veel overeenkomsten met wat de zee deed aan onze
kusten: veranderende handelsroutes, op- en neergangen daarin, wisseling van het
klimaat, ook met betrekking tot de leiders in de Nederlanden en de afweer
daartegen die uitmondde in de 80-jarige oorlog, de opstand tegen de Spaanse
overheersing onder leiding van de Prinsen van Oranje.
Vlak daarvoor heeft in 1568 Philips II een interesante opsomming laten
opstellen van de vuren aan de kust, te weten: Vlieland en Terschelling, Wijk
aan Zee, Egmond aan Zee, Zandvoort, Noordwijk aan Zee, Scheveningen, Ter Heyde,
Goedereede en Oostvoorne.
Zo nu en dan moesten de vuren gedoofd worden, zoals in verband met de dreigende
komst van de Armada in 1588.
Nadat er tijdelijk enige rust was in de Nederlanden en de scheepvaart een
explosieve ontwikkeling te zien gaf, besloten de Staten van Holland en
West-Friesland in 1615 een eigen stelsel van vuurbakens te gaan onderhouden.
Zij namen de verantwoording en de kosten op zich voor de vuren te Scheveningen,
Huisduinen en Egmond aan Zee. Een zeer verstandig besluit.
In de loop van de daarop volgende jaren werden er aan toegevoegd de vuren van
Vlieland, twee op Terschelling en een vuur op Urk. Het vuur wat al op Ens,
Schokland brandde behoorde bij Overijssel.
Het verging de scheepvaart zeer goed in de Gouden Eeuw. Deze beroemde
scheepvaart trok voor een belangrijk gedeelte over de Zuiderzee. Tussen 1630 en
1730 maakte de Zaanstreek zijn grootste glorietijd door en behoorde het gebied
tot één van de belangrijkste industriecentra van de wereld door vooral de
scheepsbouw en de walvisvaart.
Nadat in 1666 de Engelsen een wraaktocht naar de Nederlanden hadden ondernomen,
waarbij Terschelling werd platgebrand en de Brandaris ternauwernood aan de
vuurzee ontsnapte, werd er op 19 december 1668 met een “Ordonnantie der
Staten van Hollandt en West-Vrieslandt het vuijren op eenige plaatsen van de
zeestranden in treijn gebracht: Eerstelijck zal men nu voortaan in de dorpen en
plaatsen hierna volgende op de vuijrbakens aldaar sijnde, alle nachten gevuijrt
worden, van den eersten Septembris tot den eersten Aprilis daaraanvolgende, van
den donckeren avond tot den morgen toe, te weten Egmond op Zee, met twee
vuijren nevens den anderen en Schevelingen, Huijsduinen en op het Oosteinde van
Vlielant met een vuijr, op het Eijlant van der Schelling met een vuijr,
mitsgaders nog een licht van kaarsen of lampen op een Brandaris en op het
Eijlant Urck het geheele jaar met een vuijr”.
Bij Egmond en Terschelling had men twee vuren om bij het naderen van de
kust zonder vergissing de juiste plaats te kunnen bepalen.
Met kolenvuren of vast brandende lichten was dat de enige mogelijkheid om een
eenduidige herkenning mogelijk te maken.
Op enige afstand was er ook een enkel vuur en samen met het dubbele vuur, wist
men dan precies waar men was.
Grote hinder had men van de onregelmatig brandende vissersvuren, die alleen
gestookt werden als de vissers op zee waren. Daarover werd dan ook dikwijls
geklaagd.
De schepen van om de west kwamen vooral het Marsdiep binnen en die van om de
oost door het Vlie. In 1699 werd het stelsel met enkele binnenvuren uitgebreid,
namelijk De Ven met een lantaarn, Marken met een kolenvuur en Durgerdam ook met
een lantaarn. Op dit gebeuren wordt in een van de volgende hoofdstukken nog
terug gekomen.
Voor de vuren moesten de binnenschepen op de Zuiderzee jaarlijks belasting
betalen, waarvoor ze als bewijs een bakenloodje ontvingen met de afbeelding van
de drie Suyderzeese Vuur Bakens en het jaartal. Er zijn er later vele
teruggevonden met jaartallen van 1703 tot 1836. Op deze bakenloodjes staan de
afbeeldingen van twee torens met een kolenvuur en één met een lantaarn.
Toch was er vanaf het begin slechts één met een kolenvuur, namelijk Marken.
De oorspronkelijke bedoeling om twee vuurtorens met kolenvuren uit te rusten
was omdat kolenvuren van grotere afstand zichtbaar waren als lantaarns.
Daarintegen waren lantaarns weer goedkoper. Vandaar dat Marken in 1836 ook al
lang een lantaarn had gekregen.
Uit een verantwoording van de vuurgelden over 1780 blijkt, dat onderscheid werd
gemaakt tussen buitenvuren en binnenvuren. De gelden voor de buitenvuren leverden ƒ28.447,00 op, voor de
binnenvuren slechts ƒ2.726,00. De
aanschaf van steenkool slokte dat jaar het grootste gedeelte van de inkomsten
op, namelijk ƒ23.022,00. “'t Slaan der Scheeplootjes
voor binne vaartuigen eiste slechts ƒ48,00”.
De bij de beschrijving van de Zeeuwse kust al geciteerde nauwkeurige kaart van
de Engelse admiraal Knight geeft voor de Hollandse kust de volgende
interessante uitleg:
”Schevelingen, een klein Visschers Steedje, hebbende een Kerk met een kleine
Naaldetoren. Het Land vertoont zich als verspreide kegels. Schevelingen is uit
zee kenbaar aan onderscheidene Naaldetorens bij elkaar, als die van Den Haag,
welke is de grootste vierkante, met een Naaldespits op dezelve.
Twee Engelsche zeemijlen ten Noorden van Schevelingen heeft men het dorp
Katwijk, staande digt aan de Strand, en heeft een grote Kerk met een
Naaldetoren; ten Zuiden van deze Kerk staat een Baken, vertoond zich uit zee
als een Toren.
Drie Engelsche mijlen ten Noorden van Katwijk heeft men Noordwijk, met een
vierkante Toren en een kleine Naaldetore; digt aan deze kerk is een vuurboet.
Agt mijlen ten Noorden van Noordwijk heeft men Zandvoort, met een hooge
Naaldetoren: als men daar nevens is, ziet men een groot Huis met een Schuur;
digt aan dezelve en ten Zuiden van dien, een kleine hoogte, gelijkende na de
kop van een Baken: hier is een Vuurboet.
Drie Engelsche zeemijlen van Zandvoort, ten Noorden, heeft men Wijk op Zee,
alwaar een Kerk, met een vierkante Toren, en een Vuurboet.
Zeven Engelsche Mijlen ten Noorden van Wijk op Zee, is Egmond op Zee, alwaar
een Baken, vertonende als een stompe vierkante Toren, en nog twee Bakens of
Vuuren.
Ten Zuiden van Petten, naast een hoge zandheuvel, een groot gebouw als een
vuurtoren.
Drie en een halve Engelsche zeemijl ten Noorden van Petten heeft men Kijkduin:
het is een hoge witte zandduin met een rood gebouw en een Vuurtoren op dezelve;
in het naderen van Kijkduin, alwaar een Batterij is, zult gij twee Bakens
ontwaren, welke dienen tot een leidingmerk voor de Uiterton van Texel, genaamd
de ton van 's Lands diep.
De langsmerken voor de Hollepoort zijn de Brandaris, zijnde een hoge Toren op
Ter Schelling, tusschen de twee Bakens, doch naast aan de zuidelijkste of
kleine en de dwarsmerken zijn: de Molen op 't Vlie in het midden tusschen de
twee Bakens.(Op Vlieland was toen een kolenvuur). Alle de zwarte Tonnen
moeten aan Bakboord en de Witte aan Stuurboordzijde gelaten worden.
Voor de vaarweg naar Emden en Delfzijl gold: Op Rottum heeft men twee
Bakens en een Huis, brengt die in ZZO en de zuidelijkste of groote Baken
tusschen het midden van het Huis, ten Westen en de kleine Baken ten Oosten. Op
Borkum zijn twee bakens en een Vuurtoren”.
In de tijd van zijn waarnemingen was admiraal Knigt voor de kust van
Nederland gestationeerd. De Fransen regeerden hier toen en omdat het
oorlogstijd was, zullen veel vuren niet gebrand hebben.
Zijn overzicht was dus niet volledig, ook omdat hij de Zuiderzee niet op kon.
In de Franse tijd zijn er verschillende lichten gewijzigd, zoals dat van Marken
en Urk. Dit blijkt uit de volgende Notificatie, die in 1809 door de Koninklijke
Staatsdrukkerij werd gedrukt:
”De Minister van Marine en Colonien, noodig geoordeeld hebbende tot
voorkoming van de groote kosten, welke door het Kolen-Vuur van het eiland Urk
moeten worden geïmpendeerd, dat hetzelve door het plaatsen van een groote
Lamplantaarn worde vervangen; brengt over zulks ter kennisse van alle Belanghebbende,
dat men den 6den van Slagtmaand aanstaande dezelve op de Vuur-Toren van het
eiland Urk zal worden geplaatst en vervolgens op de gewone wijze des avonds zal
branden, met informatie, dat die op meer dan twee mijlen afstand, op Zee zal
kunnen worden gezien; en daar tusschen de eilanden Urk en Marken, circa een
tusschenruimte van 4,75 mijlen berekend wordt, zal men bij ordinaire Weer en
Lucht, wanneer men van de Lamplantaarn van het Eiland Marken afzeilt, Oost
Noord-oost op, volgens het Kompas, en men het licht van het eiland Marken niet
meer in het gezicht heeft, op die cours binnen Één uur de Lamplantaarn van het
Eiland Urk kunnen ontdekken, zijnde tusschen de beide gemelde Eilanden geene
ondiepte”.
Amsterdam, den 26sten van Wijnmaand 1809. Van der Heim
Naarmate we verder in de 19e eeuw komen wordt het overzicht van de
kustvuren steeds gedetaileerder.
Nog steeds waren er een aantal specifieke vissersvuren, die alleen brandden als
er vissers op zee waren. De overige vuren brandden (tenminste na 1762) wél elke
nacht.
In 1813 waren de bekendste vuren aan de Hollandse, de Zeeuwse en de Vlaamse
kust:
Kijkduin, een kolenvuur; bij
Petten, een vuur; Scheveningen een vuur; Den Briel, twee vuren; Goeree, een
vuur; Schouwen, twee vuren.
Echte vissersvuren waren toen nog:
Egmond op Zee, twee vuren aan de
zeekant; Wijk op Zee, een vuur; Zandvoort, een vuur; Noordwijk, een vuur aan de
zeekant; Katwijk, een vuur en Walcheren, bij de Deurloo, twee vuren.
In 1818 werd nog weer eens de volgende opsomming gegeven:
I. Zeevuren:
Egmond op Zee, Kijkduin, Vlieland,
Terschelling, Scheveningen (vissersvuur), Brielle, Goedereede, West-Schouwen,
West-Kapelle en Oostende.
II. Binnenvuren:
Aan de Ven, op het eiland Marken, op
het eiland Urk, aan het IJ-oord, te Enkhuizen, te Harlingen, aan de Lemmer, op
het eiland Schokland, te Stavoren, te Medemblik, te Edam, te Muiden,
te Workum, te Blokzijl, twee aan het Haarlemmermeer, zijnde het ene aan het
Spaarne, en het andere aan de Oude Wetering, te Hellevoetsluis, aan de
Willemstad, te Strijensas, aan de Dortsche Kil,
aan de Krab, aan het Zijppe, aan het
Keeten, beoosten Zierikzee, aan het havenhoofd te Zierikzee, aan het Katschgat,
aan de Oosterschelde, aan de Zandkreek, te Bath, te Veere en te Vlissingen.
Nu werd alleen dat van Scheveningen nog een vissersvuur genoemd, terwijl dat in
1813 niet tot de vissersvuren werd gerekend.
Duidelijk wordt hieruit dat in de loop van de tijd het onderscheid vervaagt, en
in de 19e eeuw houden de vissersvuren als zodanig op te bestaan.
Toch hebben de vissers de aanzet gegeven tot het oprichten van verschillende
vuurtorens, en de plaatsen waar ze nu nog staan zijn voor een belangrijk deel
bepaald door deze zo ervaren zeelieden.
Om een idee te krijgen hoe de vissersvuren er hebben uitgezien moeten we terug
denken aan de wachtenden op het strand, die hun plaats in de donkere nachten
kenbaar maakten door middel van vuur.
Het was vooral de vlam die het meeste licht gaf. Met voldoende brandbaar
materiaal moeten het in het begin enorme vuren zijn geweest (te vergelijken met
de traditionele paasvuren in Overijssel).
De hoeveelheid verstookt brandhout of turf zal afhankelijk zijn geweest van de
voorraad en wellicht ook van het aantal mensen dat op zee verbleef.
Van enige regelmaat zal in het begin weinig sprake zijn geweest totdat men ging
ervaren dat de voorraden beperkt waren en men ook voor de volgende nachten iets
nodig kon hebben.
Ook zullen de vissers zelf al spoedig hebben opgemerkt dat, komende van zee, de
hoogste punten het eerste zichtbaar waren en dat het dus wenselijk was de vuren
zo hoog mogelijk te ontsteken.
Dit beperkte vanzelf de hoeveelheid brandstof, want alle materiaal moest
tenslotte door mensen naar boven worden gesjouwd. Meestal zullen de hoogste
punten, bijvoorbeeld in een duinlandschap, niet zijn samengevallen met de
plaatsen waar de schepen een goede aanlegplaats hadden en waar de bewoning was.
De speciale vuurboetplaatsen ontstonden daardoor op eenzame hoogten, een zo
groot mogelijk deel van de horizon op zee bestrijkend, want dat had het meeste
nut.
Dezelfde eis gold voor de wachtende, uitkijkende mensen en vandaar dat elk
vissersdorp aan zee wel een "kijkduin" zal hebben gekend, een naam
die nog steeds bestaat voor enkele plaatsen aan de kust.
Omdat in het begin het vuur dus gewoon op een duintop werd gestookt, ontstond
er al snel behoefte voor de opslag van het te verbranden materiaal, voor het
drooghouden ervan en tegen diefstal.
De bouw van schuurtjes oftewel boeten werd nodig. Het woord boet wordt met name
op Texel en in West-Friesland veelvuldig gebruikt, o.a. voor schapeboet =
schapestal.
In de eerste berichten over vissersvuren spreekt men dan ook meestal van een vierboet, een schuurtje bij de
plaats waar het vuur werd gestookt.
Naarmate de brandstof schaarser en duurder werd, werd de behoefte aan
opslagruimte steeds groter. De boet ging daarbij ook een functie als dagmerk
vervullen, want het was niet normaal een duin met daarop een schuurtje te zien.
Dus ook overdag, bij goed zicht, werden de boeten gebruikt voor plaatsbepaling
op zee. Geen wonder dat er bij of op de schuurtjes steeds hogere constructies
verrezen, dikwijls met een tweede merk in de duinen of op het strand daarvoor,
om op die manier een lijn aan te geven.
Het trekken van zo'n lijn naar zee was een verbetering ten opzichte van slechts
één merk op het hoogste duin.
Een tweetal merken "in lijn" was ideaal voor het aangeven van een min
of meer recht vaarwater tussen ondiepten door.
Veel voorbeelden daarvan zijn op de allereerste kaartjes en tekeningen van
zeegaten en eilanden te zien, nog meer dan van vierboeten.
De argumenten voor het bovenop een kaap of baak ontsteken van een
vuur zijn nergens precies omschreven, maar dat op een gegeven moment deze vrij
ingrijpende beslissing genomen is, is wel duidelijk.
Er zijn talloze voorbeelden van het omhoog brengen van het vuur, óf in een korf
die werd opgehesen óf door het vuur op de top te ontsteken. Die verandering had
nogal wat gevolgen: het sjouwen werd veel zwaarder, de stookplaatsen werden in
afmeting kleiner en het gevaar van het verbranden van de toren trad op; vaak
zijn houten kapen zelf een prooi van de vlammen geworden.
Het had echter ook een zeer groot voordeel: het vuur was van nog grotere
afstand zichtbaar. Omdat de bewoners nu minder inzicht hadden in de
verrichtingen van de stoker werd het een apart vak, met allerhande misteries
daaromheen.
Nadat Albrecht van Beieren in 1370 het besluit nam “om gestadiglijk vuur te
branden van deze tijd” en er daarna op wel 20 plaatsen vuren brandden, tot
circa 1820, moeten er in ons land wel tussen de 500 en 1000 personen zijn
geweest die dit beroep hun hele leven hebben uitgevoerd.
Na het hout kreeg men in de 16e eeuw te maken met steenkool, aangevoerd van
overzee en prachtige vlammen gevend, vooral als deze werden aangewakkerd door
harde wind.
Ze gingen per ton gewicht veel langer mee en dat maakte het grotere gewicht van
de brokken weer goed. Hinderlijk was echter de rookontwikkeling, die soms zo
erg was dat de vlammen in de richting van de zee onzichtbaar werden. Nooit was
het een constant licht, altijd was er sprake van een ongestadiglijk
brandend vuur en de omgeving werd altijd roetzwart.
Een verbetering was het bouwen van een huisje eromheen met glazen vensters en
een goede schoorsteen. Blaasbalgen werden gebruikt om de vlammen hoog op te
jagen.
Het werd een zwaar beroep en zeer arbeidsintensief, altijd was er wat te doen:
ruiten reinigen, kolen sjouwen, as verwijderen, roosters repareren en het
bijhouden van de administratie.
Het was een mooi dankbaar beroep, maar op zee zullen er wel eens verwensingen
zijn uitgesproken als het licht niet fel genoeg was, of als het lange tijd zwak
brandde zodat het niet zichtbaar was.
De bakenstokers verweerden zich door te zeggen dat ze niet voldoende kolen
kregen (er moest namelijk zeer zuinig gestookt worden), of dat juist de
gebruikte kolen zo slecht brandden.
Het vuren-op-de-wal en het varen-op-zee had een wisselwerking gekregen, het was
een vorm van communicatie geworden en een op elkaar inspelen van de stokers en
de gebruikers.
Naarmate de torens hoger werden, de apparatuur moderner, de gemeenschap groter,
de internationale scheepvaart er meer gebruik van ging maken en er dus ook
gestookt moest worden als er geen vissers op zee waren, groeiden de
bakenstokers en de gebruikers verder uit elkaar.
De vuurtorens gingen van lieverlede een eigen leven leiden, schijnbaar losser
van de groeiende dorpen en steden, als eenzame wachters, overgebleven uit
vroegertijden.
Vroonloden.
In Leiden en omgeving zijn nog wel eens loodjes aan het licht gekomen waarvan
de betekenis in eerste instantie niet duidelijk was.
Op deze éénzijdige loodjes is een (zijn) vis(sen) afgebeeld.
De achtergrond van deze loodjes is de volgende: Aalsmeer had vroeger als belangrijkste
bronnen van bestaan de visserij en de turfwinning. Er werd voornamelijk gevist
op de vele meren, die later het Haarlemmermeer zouden vormen en een deel
hiervan behoorde tot de zogenaamde vroonwateren, die in 1317 nog
eigendom van de grafelijkheid waren.
Hier mocht alleen gevist worden door diegene die de vroonrechten betaald hadden
en als betalingsbewijs werd een "vroonlood" verstrekt, dat
meestal aan de vissersboot werd vastgespijkerd.
In het jaar 1433 werden de vroonrechten door de graaf van Leiden in erfpacht
gegeven en sindsdien gaf deze stad vroonloden uit.
In het stedelijk museum De Lakenhal in Leiden zijn nog enkele van deze loodjes
bewaard gebleven.
De loodjes waren eind negentiende eeuw nog op scheepswanden van sommige
visserboten te vinden. Op een werf lagen toen nog schepen met zo'n loodje.
Dat moeten toen al oude boten zijn geweest, want de Haarlemmermeer werd al in
1852 drooggemalen.
Er zijn in deze omgeving nog meer loodjes in gebruik geweest, die recht gaven
op het houden van bepaalde soorten netten voor verschillende takken van
visserij.
Gorinchem.
In Gorinchem stond in 1598 aan het einde van de Molenstraat een tolhuis. De
"Tolgaarders" ontvingen hier de tol. Dit bracht aardig wat geld in
het laadje, omdat de Merwede langs het gebouw liep.
De schepen die passeerden moesten altijd tol betalen, ook al deden zij de stad
niet aan.
Bakengeld
van de stad Dordrecht.
In een lijst uit 1739 kwam ik de volgende gegevens tegen:
Ordonnantie ofte Lyste
Van het Salaris, den Bakenmeester der Stadt Dordrecht
toegelegt, by de Regeeringe der voornoemde Stadt.
Alle Schippers en Koopluyden / Borgers en Ingezetenen der Stadt Dordrecht / 't
zy Zeehandelaars of Binnenvaarders zullen vrij ende exempt zijn voor alle
Schepen over zee van daan komende / boven de hondert Lasten / zal den
Bakenmeester voor Bakengelt betaalt moeten werden van yder 18 stuyvers.
Boven de dertig tot hondert Lasten toe / 12 stuyver yder. Onder de dertig
Lasten 6 stuyvers voor yder.
Van de vreemde Zeeschepen / die de Oude Maas ofte Noorddiep op ofte afkomen /
ende aan deze Stadt niet lossen ofte laaden / voor yder eene gulden 4 stuyvers.
Van alle Maas- en Rhynschepen / van wat benaaminge die ook zouden mogen zijn /
die een Roer voeren het zy dat het zelve daar aan is ofte niet / groot of kleyn
/ leeg of vol (de Weyaken uytgezondert) voor yder 6 stuyvers.
Van alle Binnenlantsvaarders boven de vijftien Lasten / voor yder 6 stuyvers.
Ende beneden de vijftien Lasten / yder 4 stuyvers.
Voor alle Vlamingen / Drimmelaars / Plyten / Supe en Hartbeiders / yder 10
styvers.
Van alle Vischuyten / yder 6 stuyvers.
Van alle Bezaanjachten yder 6 stuyvers.
Van alle Gaffeljachten / uytgezondert die van de Gecommiteerde Raaden / Raad
van Staaten en Admiraliteyten / yder 12 stuyvers.
Van alle Boeyers / yder 4 stuyvers.
Van yder Vlot uyt Duytsland komende dertig stuyvers.
Van de Sammereusen met Vloten daar anner / voor yder eene gulden 4 stuyvers.
Alle kleyne Vlotten van de Stadt Dordrecht gaande en verzonden wordende /
zullen vrij en exempt zijn iets voor 't Bakengelt te betaalen.
Den Bakenmeester meerder van de Schippers afvorderende als hier boven staat
geNrprimeert / zal verbeuren ten behoeve van de Diaconie Armen voor de eerfte
reys vijf en twintig / voor de tweede reys vijftig gulden / en voor de derde
reys arbitralijk gecorrigeert of Bediendens aanfpreekelijk zijn.
En zal van yeder Schip in voorft Lijste gementioneert het geene daar op gestelt
is / alleenlijk eens's jaarlijks / betaalt moeten werden.
Ende ingevalle het mogt komen te gebeuren / dat eenige Schippers weygerden het
Bakenmeester hier van moeten kennisse geven aan mijn Ed: Heeren van den
Gerechte, omne dezelve Schippers op haarretour zoodanig te doen corrigeren
al haar Ed: Groot Achtb: zullen oordelen te behooren.
Aldus gearresteert bij mijn Ed: Heeren van den Gerechte der Stadt
Dordrecht voornoemt / op den 21 Julii 1739.
In kennisse van my
Js. KARSSEBOOM.
IV Rondom en in de Zuiderzee.

Al vanaf de Middeleeuwen waren vaarwegen op en naar de Zuiderzee aangegeven
door middel van drijvende boeien, vuurtorens en kapen of bakens op het land die
een punt van veraf zichtbaar maakten, niet veel verschillend van de huidige
manier van markeren. Een "kaap" is een merkteken met een opvallende
top, bijvoorbeeld een kerktoren, oftewel een punt waarmee van veraf werd
gemarkeerd.
Voor het onderhoud van de markering van een vaarwater moest door de schepen
worden betaald. De schippers werden aangeslagen indien ze een bepaalde haven
binnenkwamen of juist uitvoeren.
De naam voor deze heffing verschilde per haven, de oudste bekende term was
paalgeld, stammend uit de middeleeuwen.
In Enkhuizen bleef men spreken van paalgeld, elders noemde men het vuurgeld,
bakengeld of tonnegeld afhankelijk van de vorm van bebakening.
In de meeste gevallen waren de inkomsten van deze heffingen groter dan de
uitgaven voor het onderhoud van de bebakening.
Het kan dus worden beschouwd als een extra belasting die de schippers in de
regel konden doorberekenen in de vrachtprijs.
Er zijn talloze voorbeelden uit binnen- en buitenland van deze vuur- en
bakengelden.
Ook in de havens aan de Zuiderzee werden deze belastingen geheven, in enkele
gevallen speciaal bij de schepen die op de Zuiderzee bleven.
Het allereerste begin.
Op de Waddeneilanden waren nauwelijks opvallende örientatiepunten aanwezig, terwijl het voor de scheepvaart toch
van groot belang was dat men zijn positie nauwkeurig kon vaststellen.
Men moest het juiste zeegat kunnen herkennen, want behalve de Vliestroom tussen
Vlieland en Terschelling waren aanvankelijk de andere gaten door gebrek aan
diepte niet bevaarbaar.
Later werd ook het Marsdiep tussen Holland en Texel bruikbaar.
Voor de bereikbaarheid van de havens die diep in de Zuiderzee in relatief
rustig water lagen, was het dus zaak om juist bij de Vliestroom en het Marsdiep
voor kapen, tonnen en indien mogelijk ook een vuur te zorgen.
Zoals vermeld werden de bijbehorende vuur- of bakengelden geheven van de
zeeschepen die er profijt van hadden.
Het toezicht op de bebakening van de Zuiderzee berustte bij de stad Kampen.
Uit het oudste Foliant (boek van groot formaat) van de stad blijkt dat voor
deze diensten geld werd geheven, het zogenaamde "paelgeld".
Omdat aan het eind van de Middeleeuwen het belang van Kampen afnam (o.a door
verzanding van de IJsseldelta door de geringe stroomsnelheid van de IJssel),
werd er steeds minder geld uitgegeven om de betonning goed te onderhouden.
Na Kampen meer dan 70 jaar gesubsidieerd te hebben, nam Amsterdam in 1527 het
privilege over, en was de volgende 50 jaar als grootste Zuiderzeehaven
verantwoordelijk voor de markering.
De Zuiderzee was niet alleen van belang voor de scheepvaart tussen de havens
langs de kust, maar vormde tot het begin van de negentiende eeuw ook het eerste
gedeelte van de scheepvaartroute van Amsterdam naar zee voor schepen van de
grote handelsvaart.
Een goed aangegeven scheepsroute was dus ook zeer van belang voor de schepen
van de Verenigde Oostindische Compagnie.
Via het IJ en Urk koerste men naar het Breedzand, vanwaar twee routes mogelijk
waren: één langs de westkust van Friesland naar het Vlie, en één door de
Wieringer Vlaak naar het Marsdiep.
Al in 1540 zijn deze routes beschreven.
Het tonnelood en de paalkistpenningen
van Enkhuizen.
In 1551 was Enkhuizen voor zestig zeeschepen en tweehonderd Rijnvaarders de
thuishaven.
Enkhuizen was van oudsher al een belangrijke haven geweest. Al in 1394 werd er
kaas geëxporteerd.
Dit was geen verse losse kaas maar “cleyne Edammer casekes” welke langer
houdbaar waren en gemakkelijker per schip waren te vervoeren.
Kort na de inname van Den Briel in 1572 kozen Enkhuizen, Hoorn, Medemblik en Monnikendam
de zijde van de Prins.
Naast de Zuiderzee-visserij, werd Enkhuizen door de oorlogshandelingen in het
zuiden eveneens thuishaven voor zestig z.g. Haringbuizen.
De zeeschepen voeren nu vooral naar Enkhuizen en Hoorn, omdat de Watergeuzen de
vaart op Amsterdam belemmerden.
Om verzekerd te blijven van een veilige vaarweg en als dank voor de snelle
aansluiting kreeg Enkhuizen in 1573 van de Prins van Oranje het recht om tonnen
te leggen in de zeegaten van de Zuiderzee, en het hieraan verbonden
"paelrecht" om hiervoor "paelgeld" te mogen eisen.
Tot 1573 had de stad Amsterdam het Recht van "Paalkist" op de
Zuiderzee. Amsterdam verzorgde de bebakening van de Zuiderzee en de zeegaten en
kreeg in ruil daarvoor dit recht om baken-, ton- en vuurgelden te heffen van de
schippers die de Zuiderzee bevoeren. Dus eigenlijk een Rijksbelasting, in de
handen gelegd van de machtige stad Amsterdam.
Het recht dat een zeer belangrijke inkomstenbron betekende, werd dus in 1573
bij privilege van Prins Willem I, geschonken aan de stad Enkhuizen, destijds
een zeer belangrijke havenstad met ongeveer 30.000 inwoners. Het was bedoeld
als straf voor de Amsterdammers die te lang hadden getreuzeld om de zijde van
de Prins te kiezen en een beloning voor de Enkhuizenaren die als een van de
eersten het Spaanse juk hadden afgeworpen.
Volgens diverse afrekeningen werd het recht, behalve te Enkhuizen en Amsterdam
ook geheven te Edam, Medemblik, Zaandam, Nieuwediep, Terschelling en Vlieland
en aan het stadsbestuur van Enkhuizen overgedragen. Het tonnegeld was speciaal
voor schepen die het noordelijke deel van de Zuiderzee bevoeren, waar het
meerendeel van de tonnen lag.
Deze schepen voeren naar de Waddeneilanden, maar het waren vooral zogenaamde
lichters van de zeeschepen die op de rede bleven, omdat ze volgeladen te diep
lagen voor de Zuiderzee (de lichters vervoerden de vracht dus verder). Als
bewijs van betaling gaf Enkhuizen het z.g. tonnelood.
Zowel op het kleine als op het grote tonnelood was een kegelvormige zeeton
aan een ketting afgebeeld met het wapen van Enkhuizen en het jaartal (het
kleine lood met alleen de laatste twee cijfers).
Kon een schipper van een binnenschip achteraf aantonen dat hij het hele jaar
niet naar de Texelstroom was gevaren, dan kon hij het geld van zijn tonnelood
terug vragen
Naast het paalkistrecht werden vuurgelden geheven van schepen, die de haven van
Enkhuizen aandeden, wegens het ten behoeve van de scheepvaart doen functioneren
van de "zeelantaarns" of havenvuren. Als kwitantie gold een
eenvoudige loden penning met het stadswapen en een cijfer.
Bovendien was het de opzet dat Enkhuizen met de inkomsten uit het paalgeld de
vestingwerken zou versterken, wat ook gebeurde, o.a. door de aanleg van het
bolwerk Willigenburg aan de zuidzijde van de Drommedaris.
Amsterdam had het paalrecht al langer, maar omdat deze stad nog aan de kant van
Spanje stond en zich dus niet aansloot bij het verzet tegen de Spanjaarden,
kreeg Enkhuizen nu dit recht.
Toen Amsterdam zich in 1578 alsnog aansloot werd de blokkade opgeheven, en
keerde handel en scheepvaart weer snel terug naar de stad.
De betonning en bebakening van de vaarwegen bleef echter onder
verantwoordelijkheid van Enkhuizen, het toezicht op de vuren was weer de taak
van Amsterdam.
Het lantaarnlood van Enkhuizen.
In het archief van Enkhuizen bevindt zich een Notificatie
uit 1736 aan alle schippers die de haven van Enkhuizen binnenliepen, dat zij
jaarlijks een vuurlood moesten aanschaffen, zowel binnenschepen als
zeeschepen. Op dit lood staat het stadswapen van Enkhuizen (de drie haringen)
en een ingeslagen nummer.
Dit was voor de dekking van de kosten van de lantaarn op het Deensehoofd dat op
verzoek van de binnenschippers in 1736 was opgericht.
Het lantaarngeld bedroeg in de 18e
eeuw 8 stuivers per jaar (OAE, berg.nr. 1956). In 1921 bedroeg het lantaarngeld
één gulden.
Het loodje heeft meerdere benamingen, namelijk , havengeld, paalkistpenning
of vuurpenning.
Het ingeslagen nummer zijn de laatste twee cijfers van het jaartal. Alleen in
1900 staat er een volledig jaartal op de loodjes. Aan de hand van de gegevens welke ik momenteel bezit kunnen we
dus concluderen dat deze loodjes van ±
1850 tot 1920 in gebruik zijn geweest. Voor 1850 is dit waarschijnlijk een
ander type geweest met het volledige jaartal.
Een loodje kostte tot 1922 één gulden per jaar.
De heer Peereboom, oudvisser uit Marken, heeft mij verzekerd dat de loodjes in
1921 toen hij begon te varen op Enkhuizen, niet meer in gebruik waren en een
bewijs voor het betaalde havengeld een papieren kwitantie was.
Het paalgeld werd geheven van de zeeschepen als ze één van de havens van
Holland binnenliepen. De prijs was 5 stuivers voor een klein schip, en 10
stuivers voor de grotere.
Als schepen in Enkhuizen bijvoorbeeld naar de taanderij moesten, moest ook
bruggeld betaald worden en wel tien cent per keer.
Een vorm van kustverdediging die rondom de Zuiderzee, toen deze eenmaal zijn
min of meer definitieve vorm had gekregen, een rol ging spelen was de
voorziening met paalschermen.
Veel eerder dan de 16e of 17e eeuw zal men daarmee
waarschijnlijk niet zijn begonnen, dus na de late middeleeuwen.
Het was wel een heel bijzondere wijze van oeverbescherming die overigens langs
uitgestrekte kustlandschappen is toegepast.
Deze bestond uit rijen ingeheide palen, soms van eikehout, soms ook van grenen,
die met zware dwarsbalken werden bijeengehouden en veelal d.m.v. trekstangen in
verbinding met enkele verder binnenwaarts aangebrachte palen werd vastgehouden.
Op sommige plaatsen is nog wat van deze kustverdediging aan te treffen, o.a.
bij Gaasterland en bij de Middelbuurt op Schokland.
Een groot probleem voor de paalschermen bleek de paalworm te zijn, een probleem
waarmee de 17e en 18e eeuwse scheepvaart ook nog vaak te
maken had.
De paalworm, is een mosselsoort die zich in hout dat in het zeewater staat, inboort
en diepe gangen maakt. Omdat waterkeringen in de zeventiende eeuw meestal met
houten palen en dergelijke verstevigd waren, betekende het optreden van het
dier een grote ramp. De paalworm werd voor het eerst rond 1725 opgemerkt in de
zeeweringen voor de Friese kust. Daarna verspreidde hij zich snel langs heel de
kust van de Zuiderzee en de Noordzee. Het verradelijke was dat aan de
buitenkant van de palen niets te zien was van het gewroet van de paalworm. Bij
de eerste de beste storm echter braken de "behandelde" palen (die er
nog als nieuw uit zagen) af als luciferhoutjes. Sinds die tijd kwam natuursteen
in plaats van hout om waterkeringen stevig te maken. Het vervangen van de
honderdduizenden palen kostte de dijkbeheerders zeer veel geld. In 1931 dook de
paalworm weer op, maar leverde geen gevaar meer op.
In 1666 verscheen "Historie der vermaerde Zee- en Koop-stadt
Enkhuisen" van de hand van Gerard Brandt, dat het tijdvak besloeg
vanaf het ontstaan van de stad tot 1609.
In dit boek staat ook het één en ander geschreven over het verkrijgen van het
Pael-kist recht van Enkhuizen.
Vanaf bladzijde 188: 1572, brief van den Prinse van Oranje aen de Magistraet
van Enkhuisen:
HISTORIE van ENKHUIZEN.
De Prinse van Oranje,
Grave van Nassau,
Heere en Baron van
Breda, van Diest &c. Stadt-
houder en Kapitein Generael over Hollandt,
Zeelandt, West-Frieslandt en Uitrecht &c.
Eersaeme, discrete, lieve besundere, Uit uw
schrijven van den XXVII dag der verlede maendt Novembris, hebben wij gesien het
goedt devoir 't welk de Kapiteinen der stede Enkhuisen tot conservatie,
beschutting en bescherming de voorsz. stede gedaen hebben: soo wij ook van al
't selve vooren volkomentlijken onderrecht sijn geweest, souden wij daeromme
ook niet lievers sien, dan volgens uw schrijven de selve Kapiteinen van alsulke
heure naerstigheit ende getrouwen dienst, te doen recompenseren; te meer alsoo
sij volgns uw schrijven tot noch toe egeenen loon bedongen hebben. Is daeromme
ons genadig versoeken, dat gij ons metten eersten overschrijft uw goedtdunken,
watmen den voorsz. Kapiteinen voor den voorsz. heuren dienst sal moogen
toevoegen, op dat wij 't selve uw advijs gesien, wijders daer inne nae
gelegentheit der saeken, en des tijds versien mogen, niet twijffelende die
voorsz. Kapiteinen middelertijdt voortvaeren sullen in alle het geene sij tot
voorderinge, rust, en welvaeren der stede van Enkhuisen sullen bevinden te
behooren; al 't welk wij wel bereit sijn sullen met alle goede dankbaerheit
tegens u en henluiden te verschuldigen; dat kenne Godt, die u luiden lange
spaere in gesontheden.
Geschreven tot Delft den derden Decembris 1572. Laeger stondt, U lieden goede
vrundt Guilliaume de Nassau, het opschrift was: Den eersaemen discreten onsen
lieve besunderen Burgemeesteren, Schepenen en Regeerders der stede van Enkhuisen." Of hier eenige vergeldinge op volgde en
hoedaenige, is tot
mijner kennisse niet gekomen: doch 't is voor den nakomelingen eerlijker dat
men wete dat se die verdient hadden, dan te weten of se die genoten hebben.
Omtrent het midden van de selve maendt wierdt het uitvoeren van alle lijftocht,
visch, haering, boter, kaes en andre eetwaeren bij een Plakaet veboden, tot
groot nadeel van Enkhuisen en anderen; maer daer tegens vertoonden de gemeene
reders der haeringvaert, wat schade sij in dan haeringh, als noch onverkocht
bij hen leggende, geschapen waeren te lijden, indien man dat Plakkaet in dat
stuk wilde onderhouden, dewijl die van d'uitheemsche koopluiden binnen Hollandt
niet wierdt gesocht en verderflijk sijnde nu daegelijks eischte gebruik en
gesleten te worden. Op welk vertoog het uitvoeren bij de Staten van Hollandt
den 18 Januarij des jaers 1573 wierdt toegelaten ; doch onder borgtocht van die
in geen vijandtlijke landen te brengen; mits dat ook die geladen werde met kennis
luiden daer toe gestelt, op dat niet onder deksel van den haring ook andere
lijftocht uitgevoert wierde. Niet lang daerna hebben de Wethouders van
Enkhuisen diergelijken versoek gedaen aengaende den haeringh die bij hunne
ingesetenen in de Suider see gevangen en tot bokking gedroogt wierdt: waer op
de Staeten met believen van den Prins van Oranje toegestaen en verklaert hebben
dat de burgers en inwoonders van Enkhuisen, onvermindert het gemelde Plakaet
ende d'Instructie van de Commissarisen op het stuk der lijftocht gestelt, hunne
bokkingh vrijelijk souden mogen vertieren en verkopen, na ouder herkomen en
gebruik in alle steden en plaetsen sijne Vorstelijke Doorluchtigheit toegedaen,
sonder diesaengaende eenige koopmanschap met de voorsz. Commissarasen te maken
ofte gehouden te sijn de selve aen hunne handen te kopen of te verkopen. De
brieven van dit verlof waeren tot Delft gegeven, en den7 Februarij (1573) bij
Paulus Buis door last van de Staeten geteekent.
Twee dagen daer aen verkreeg de stadt Enkhuisen, het recht der Pael-kiste,
soo men 't noemt, 't welk van oudts bij die van Amsterdam was gebruikt, en hun
bij handvest van Hartog Philips van Borgoje in de jaere 1452 bevestigt.
Volgens dit recht wierden de tonnen, kapen, bakens, en 't geen verder tot kenisse
der gronden en see gaten noodig was, bij haer onderhouden; waer voor sij haere
gerechtigheit, het Pael-geldt geheten, van de schepen ontfingen en
genoten. Men gaf nu aen die van Enkhuisen twee brieven van handveste, den eenen
op den naem van den Koning, den anderen op den naem van den Prins van Oranje
als sijnen Stadthouder, beide den 9 Feb. getekent, bij welke die van Amsterdam,
sich als vyanden stellende tegens de gemeene Staeten van Hollandt, en met Alva
en sijn Spanjaerden t'samen spannenede, ten insien van de goede getrouwigheit,
den Koning en de lande geduuriglijk bewesen; om 't genot en voordeel daer van
komende, tot versterking, en onderhouding, hunner stede en haven te besteden.
Op bladzijde 193: "Sijne
Exellentie accordeert ook bij desen dat die van Enkhuisen haer ballast wederom
op Huisduinen sullen mogen haelen, soo vrij als sij over acht of tien jaeren 't
selve plegen te doen, ende dit bij permissie.
Privelegie
van Willem de I. Prince van Orangie, Anno 1573.
den 9.Februarius; Handelende van't
verkrijgen van 'tPael-gelt.
Leght in Doose, geteeckent met de Letter
D.
Wilhelm by der gratie Godts Prince van Orangie, Grave van Nassouw, van
Catzenelleboge, van Vyanden, van Dietz, van Bueren, van Leerdamme, &c.
Burghrave van Antwerpen ende BefanHon, Stadthouder ende Capiteyn Generael over
Hollandt, Zeelandt, West-Vrieslant ende Uytrecht; allen den geenen die dese
jegenwoordige sullen sien ofte hooren lesen saluyt. Doen te weten: dat alsoo
kennelijck ende openbaer is voor Godt ende alle menschen, dat die van der stadt
Amsterdam in Hollandt, hen luyden zijn stellende tegen de gemeyne Staten des
selven Lants, bekrijgende ende met alle geweltaenvallende, door versochte
assitentie van den Hertoge van Alva ende vremde Spangiaerden, d'andere Steden,
Vlecken, Dorpen ende platten Lande in Hollandt, verhoonende hen metter daedt
Vyanden niet alleen van den selven Lande, maer oock des gemeenen nut ende
profijte der gantscher Nederlanden, ende onsen goede Christelijcke voornemen
ende Krijgshandel, om allen Volcken te verdelgen ende te vernielen, sy luyden
haer uytterste macht ende gewelt zijn voorstreckende, ende want ons toestaet
ende betaemt nae alle recht ende billeckheyt (hen Vyandt verhoonende) 't
ontrecken de middelen waer over sy om ons ende gheneyn welvaren te bekrencken
ende beschadigen verstertket worden, en- de dat onder anderen die van Amsterdam
tot noch toe ontfanghen ende genoten hebben de profijten ofte gerechtigheyt,
dat men noemt het Pael-gelt, mits onderhoudinghe tot vorderinghe van de
Seyllagie ende Schipvaert, de Tonnen, Capen, Baken, Schepen ende andere dingen
desen notelijck, ende dat oock die van Amsterdam, van nu voorts aen de selven
lasten ende notelicke dingen niet en soude mogen nae komen ende behoorlicken in
't werck stellen, tot groote hindernis ende schade van Seyllage ende Zeevaringe, hebben derhalven aen dese ende andere redenen ons moverende, hen
luyden niet langer mogen laten volgen ofte vergunnen het Pael-gelt voorsz.
Tonnen, Capen, Bakens ende Schepen, met allen anderen daer toe noodigh
ghesteldt onderhouden, ende gelijck als tot noch toe geleght te worden, ende
dat de opkomsten van Pael-gelt komende tot gemeen nut ende prof- ijt,
aldermeest geimployeert behouwen te worden, en Fortificatie ofte reparatie van
Steden ofte Plaetsen ter Zee gelegen, an den welcken ons ende de gemeyner
Landen sonderlinge gelegen is, mits dragende de lasten voorsz.: Soo is 't,
aenmerckende de sonderlinge getrouwigheyt om de selve Stadt tot des gemenes
Lants welvaren gesterckt te mogen worden, hebben hen luyden geconsenteert ende
geaccordeert, concenteren ende accorderen mits desen, dat sy van nu voortaen
sullen mogen opheffen, ontfangen ende genieten in gelijcker voegen die van
Amsterdam tot desen tijden gedaen hebben, de ge- rechtigheydt van het Pael-gelt
en- de profijten daer van komende, om tot Fortificatie ende reparatie van hare
Stede ende Havene geemployeert te worden mits dragende de selve lasten van
Tonnen, Capen, Baken, Schepen ende andere dinghen te houden, stellen, leggen
ende onderhouden als tot noch toe by die van Amsterdam gedaen is, gevende haer
midts desen volkomen macht om alle onwillige die hun hier tegens eenighsints
souden willen stellen, te mogen bedwingen ende met behoorlijcke middelen
constringeren, verbiedende allen anderen Steden, Vlecken, Dorpen, Officieren,
Scheep-luyden ofte anderen, van wat qualiteyt sy luyden mogen wesen, die van
Enchuysen tegen desen eenige hinder,letsel ofte tegenstant te doen, of te laten
geschieden, want dit is onsen ernstigen wille ende meyninge, die wy van een
yeghelijck naeghekomen willen hebben. Ordinerende ende gebiedende allen
Officieren ende Magistraten, dat sy die van Enchuysen hier toe sullen
assisteren en met alle behoorlijcke middelen ter volkomene executie van.
............... bystant bewijsen, sonder eenighsints hier inne te dissimuleren,
ofte eenighe versuymenisse te laten gheschieden. Des t'ooconde hebben wy desen
met onsen name getekent, ende ons secreet Zegel daer aen doen hangen, in roode
Wasse, gegeven tot Delft op den 9.dagh der maent van Februario, in't Jaer XVctseventigh
ende drie, was getekent Guilliaume de Nassau, ende bezegelt met een Zegel in
roode Wasse, aen een dubbelde Francijnen staert onder aen hangende.
Handvest
van Philips de II. Koningh van Spanjen, Anno 1573.
den 9.Februarius; Raeckende de Paelkist.
Leght in de Doose, geteeckent met de
Letter G.
Philips by der gratie Godts Koningh van Castilien, van Leon, van Arragon, van Navarre, van Napels van Sicilien, van Majorque, van Sardanie, van den Eylanden Indien ende vasten Lande der Zee Oceane, Ertz-hertoge van Oostenrijck, Hertoge van Bourgondien, van Lothier, van Brabant, van Limburgh, van Luxenburgh, van Gelre, van Milanen, Grave van Habsburgh, van Vlaenderen, van Artois, van Bourgondien, Paltsgrave ende Henegouwen, van Hollandt, van Zeelandt, van Namen ende Zutphen, Prince van Swaben, Marckgrave des heylighen Rijks, Heere van Vrieslandt, van Salijns, van Mechelen, van der Stadt, Stede ende Landen, van Uytrecht, Overyssel ende Groeningen, Dominateur in Asia ende Africa; allen den geenen die dese jegenwoordige sullen sien saluyt, doen te weten: alsoo den Hertoge van Alva met sijnen aenhang, verstoorders van de ghemeene ruste, ende als vyanden onsen Landen van Hollandt ende Zeelant tyrannighlijck bekrijgende, ende onrechtelijcke oorlogh makende, om te handthouden ende verstercken sijne moetwillige regeeringe ende Heerschappye over onse Nederlanden, die van der steden Amsterdam, hen gantselick vergetende, den selven van Alva niet alleenlijck alle gunste, hulpe ende bystandt doen ende bewijsen, maer oock metten selven hem voegende, die wapenen metter daedt aengenomen hebbende, ende als openbare vyanden hen jeghenwoordigh dragende zijn, tegens de voornoemde Lande, Ingesetenen ende haren Compatriotten van Hollant ende Zeelandt, buyten alle rechten ende redenen, tot groote schade, nadeel ende den getrouwe onsen gantsche Nederlanden ende verderf van ons, onse gantsche Nederlanden ende den getrouwe onsen Ondersaten van dien, mits de welck wy verstaen ende houden by de voornoemde van Amsterdam, soo in't particulier als 't lichaem der selven Stede in 't gemeen alle heure goeder Rechten, Privelegien ende gerechtigheden tegens ons naer Krijghs-recht ende andersints verbeurt, ende sy luyden daer van 't onse ende der gemeen saken behoef vervallen te zijn, hebbende over sulcks t'onswaert ghenomen gelijck wij 't selve oock nemen by desen, 't recht ofte gerechtigheydt van de Paelkiste, ofte Paelgeldt by hen luyden voor dese jeghenwoordige Krijghs-beroerte gebruyckt, beseten ende genoten: ende aengemerckt dat van noode zy tot versekertheydt van de Zeevaert, Schepen ende Koomanschappen uyt ende in Hollant varende, op't leggen, stellen ende onderhouden van de Tonnen, Capen ende Bakens, in't recht van de voorsz. paelkiste begrepen ende daer toe behoorende voor al voorsien te worden. Soo is't: dat wy met goede kenisse ende uyt rechten wetenschap, hier op gehadt 't advijs van onse seer lieve beminde Neve ende Ridder van onse Orden de Prince van Orangie, voor ons Stadthouder ende Capiteyn Generael over Hollandt, Zeelant ende West-Vrieslant, mitsgaders van de Staten van de Lande van Hollandt voornoemt, ten insien van de goede getrouwigheydt ende diensten ons ende den selven Lande gedaen ende bewesen by die van de Stede van Enchuysen, ende die sy lieden (of Godt wil) noch doen ende bewijsen sullen, den selven totten voorsz. Stede behoef geconfereert, gegunt ende gegeven hebben, confereren gunnen ende geven mits desen, 't recht ende gerechtigheydt van de voornoemde Paelkiste, met allen den aenkleven, profijte ende toebehooren van dien, sulcks in der voegen 't selve hier bevoorens, by de voornoemde stede van Amsterdam gehouden, gebruyckt ende genooten is geweest gheven oversulcks die van Magistraet der voorsz. stede Enchuysen volkomen last, macht ende authoriteyt, 't recht ende profijten daer toe staende of daer van komende te mogen innen ende ontfanghen, soo wel buyten als binnen der selver Stede, daer 't selfde gevoegelijckst ende gerieflijckst geschieden kan, wel verstaende dat die van Enchuysen gehouden werden tot heuren lasten ende kosten goede versieninghe te doene in 't legghen, stellen ende onderhouden van de voorsz. Tonnen, Capen ende Bakens, daer ende .....
N O T I F I C A T I E.
De heeren
burgemeesteren en regeer-
ders der stad
Enchuysen willen by dese alle
schippers zoo binnen als
buitenlandvaar-
ders / belast en bevolen
hebben / dat sy /
komende met hunne schepen
en schuyten in
dese stads haven / niet
uyt deselve vermogen
te gaan / ten sy betaalt
hebben het havengeld /
als mede agt stuyvers
voor lantaarngeld / ten
ware een bewys met een lootje konde geven / dat het lantaarn-
geld voor het lopende jaar voldaan was.
Nog werden alle binnenlandsvaarders / die de Texelse Stroomen/
Balg/en Middelswin passeeren/geordonneerd/om een tonnenlood te
nemen/en daar voor te betalen van ieder overdekt vaartuig tien
stuyvers in het jaar /en van een visschuyt/vissnik/lootsschuyt
en andere opene vaartuyg jaarlyks vyf stuyvers /dog indien men
met valable bewysen kan proberen dat men in een gansch jaar
met een schip of schuyt de Balg en Middelswin niet is gepas-
seert, zo sal restitutie van het betaalde loodjes geld gedaan
werde, op pFne dat de schepen en schuyten van de schippers /
die weygeren het haven en lantaarngeld te betalen / of een
tonnelood te nemen / binnen de brug zullen werden gehaalt /
zullende de schippers voor hunne knegts en kinderen moeten
instaan / en indien onverhoopt de schippers / kinderen / of knegts / de
ontvanger van voorsz. stads lasten met quade
woorden bejegenden / sullen deselven na bevind van saaken
door heeren burgemeesteren gecorrigeert worden / waar na een
ieder sig kan reguleren / en voor schade behoeden.
Actum
Enchuysen den
my Præsent
Alle
schippers mit hunne scheepen in deze stadts
haaven koomende het zij binnen of buyten
lans vaarders zullen gehouden zijn het stadts
lantaarn
vuurgeldt te betaalen en daarbij verpligt
weesen wanneer zij van hunne scheepen
ofgaan om an hunne knegt of stuerman
het geldt te geeven tot het betaalen van het
lantaarn
vuurloot of het loot tot blijk dat hetselffe
betaalt is. Verder lasten wij alle binnen
lans vaarders die de noordhollansche wal
en den tessel stroom koomen of te vaaren
zullen gehouden zijn een tonneloot te
hebben en daar voor te betaalen van een
droog vaartuig mit luyken thien stuyvers
verders snekman visschuyt lootsschuyt of
ander oopen vaartuyg vyff stuyvers zonder
onderscheyt alle de boetens na goetvinden
van burgemeesteren voor die geenen
die hierin nalaatig zullen komen te blijven
Nog veel minder te schelden of den ophaalder
qualyk te bejeegenen
Concept resolutie over betaling vuur- of lantaarnlood en tonnelood.
Uit: Oud Archief Enkhuizen.
Het Enkhuizerzand.
Een blik op de kaart van Noordholland laat zien dat de stad Enkhuizen in het
verleden een strategisch belangrijke vesting is geweest. Gelegen op een in zee
vooruitspringende landtong heeft Enkhuizen de toegang tot de kom van de
Zuiderzee kunnen beheersen. De zeeëngte tussen deze stad en Staveren kon,
indien men dat wenste, worden afgesloten.
Dat Enkhuizen in het begin van de tachtigjarige oorlog de zijde van de Prins heeft
gekozen, is mede bepalend geweest voor het verloop van de oorlog op zee.
Zodra men een zeekaart van de voormalige Zuiderzee onder ogen krijgt, valt het
op, dat de landtong, waarvan de stad Enkhuizen het uiterste puntje vormt, een
onderzeese voortzetting heeft in het zogenaamde Enkhuizerzand.
Deze plaat, een abrasieplaat zouden de geologen zeggen, is in de loop der
eeuwen door een langzaam voortgaande stijging van het zeeniveau, onder water
verdwenen. Het Enkhuizerzand is geen egale zandmassa; het is doorsneden met
geulen en ruggen, die kleine schepen de mogelijkheid bieden hun weg over de
plaat te vinden. In de vijftiende en zestiend eeuw werd deze zandvlakte ervaren
als een bolwerk voor de stad. A. Goos schrijft in zijn Nieuw Nederlandsch
Caertboeck, verschenen in 1616: “Enckhuysen is uyt der natueren een zeer
stercke stadt overmits hare ghelegentheyt ende de verholen zanden oft Droochten
in de ze als bolwercken liggende teghen het aenkomen van de schepen der vyanden
die de stadt enich hinder zouden willen doen. Want de diepte tusschende zanden
is niet dan met grote behendigheyt te bezeylen zodat de schepen voor de windt
aenkomende qualijk weder te rugge kunnen zonder tegen 't geweldt der stadt aen
te moeten die dan altyt ghenoech op haer hoede kan wezen".
Er bestonden dus doorvaarten door het Enkhuizerzand naar en van Enkhuizen,
maar men moest deze nauwkeurig kennen en in verschillende zeekaartboeken vindt
men zeilaanwijzingen voor het naderen of verlaten van de stad.
Tot ongeveer 1600 was het vrachtschip bij uitstek de boeier. Hoewel men onder
schepen van dit type al grote exemplaren aantrof, was de gemiddelde diepgang
ongeveer 10 voet.
Op plattegronden van Enkhuizen van Waghenaar ziet men ook voor die tijd, grote
schepen in de haven liggen.
Na 1600 werd er mede door de ontwikkeling van het fluitschip, de vorm, inhoud
en diepte van de schepen vergroot.
Hierdoor werd de Zuiderzee een marginale zee en slechts kleinere schepen konden
van de doorvaarten door het Enkhuizerzand gebruik maken.
Na 1600 krijgen de havensteden rondom de Zuiderzee een nieuw probleem. Behalve
met de grotere diepgang van schepen krijgen ze te maken met de aanslibbing van
hun haventoegangen.
Het stadsbestuur van Enkhuizen zal van 1590 af eeuwenlang moeten vechten tegen
het opdringende zand en deze strijd zal haar vele duizenden guldens gaan
kosten.
De verzanding van de Zuiderzee is vermoedelijk een onderdeel geweest van een
veel omvangrijker gebeurtenis, die verschillende veranderingen in de Zuiderzee
tot gevolg heeft gehad.
Er vond o.a. het volgende plaats; door een waarschijnlijk zeer kleine
verandering in het macroklimaat, waardoor de gemiddelde jaartemperatuur in
Europa daalt, neemt in de tweede helft van de zestiende eeuw de vergletschering
in Zwitserland toe. Het zoete water wordt in de vorm van ijs vastgehouden,
waardoor de afvoer van de rivieren Rijn, IJssel en Vecht vermindert. De toevoer
van het zoete water naar de kom van de Zuiderzee vermindert en het zoute water
dringt op. De verzilting van de Zuiderzee neemt toe; dit blijkt zowel uit
archeologische gegevens als uit verschillende archiefstukken. Doordat er per
etmaal minder zoet water in de Zuiderzee geloosd wordt, wordt het in- en
uitstroom-systeem van Noord- en Zuiderzee gewijzigd. In een klein bekken als de
Zuiderzee kan men eigenlijk niet spreken van een getijdenmechanisme. In plaats
van eb en vloed kan dus beter gesproken worden van in- en uitstroom van het
water. Als gevolg van het veranderde evenwicht neemt de instroom via het
Marsdiep toe, waardoor het grote obstakel, dat deze stroom op haar weg naar de
Zuiderzee ontmoet, n.l. het Bree-zand, aangetast wordt. Uit loding en
zeekaarten blijkt, dat er in enkele eeuwen een diepe geul door het Breezand is
uitgeschuurd. Het opgewoelde zand wordt door de instroom meegevoerd naar plaatsen
met een geringere stroomsterkte waar het tot bezinking komt, zoals in de kom
van de Zuiderzee, in de geulen van het Enkhuizerzand, voor de kust van Makkum,
Workum, enz.
Uit de vroedschapsresoluties blijkt, dat de stad Enkhuizen al in 1590 maatregelen
neemt om de strijd met het zand aan te gaan. Deze strijd die het financieel
vermogen van de stad te boven zal gaan, wordt pas omstreeks 1900 beëindigd,
wanneer de stroomgeleidend dammen langs het Krabbersgat helemaal klaar zijn.
Op een veiling in Amsterdam is in 1966 een zilveren tabaksdoos aangekocht door
het Zuiderzeemuseum van Enkhuizen welke betrekking heeft op het uitdiepen van
het Enkhuizerzand. Op de achterzijde van de tabaksdoos komt naast het wapen van
Enkhuizen de volgende tekst voor: De bank of het Krabbersgat, geleegen in de
Zuyderzee; voor de stadt Enchuysen, is uytgediept in den Jaare Anno 1783. Door
Ary van der Linden, Woonagtig tot Rotterdam. Op de doos zijn verder o.a.
twee z.g. moddermopsjes afgebeeld waarvan Enkhuizen vermoedelijk vier of vijf
heeft gehad.
Deze schepen werden speciaal gebouwd voor het transport van het opgebaggerde
zand. Verder staan er op de tabaksdoos nog een aantal
"schokkerachtige" schepen. Vermoedelijk zijn dit visservaartuigen
geweest die door de aannemer zijn gehuurd om te helpen bij het transport van
het zand. In het archief van Enkhuizen bevind zich een Contract van Aanneming
wegens t'diepen op de Bank in t'Crabbersgat gedateerd mei 1797. Artikel
1 van dit contract luidt: "er moeten vier haringschytjes zijn, welke
met de agtervloed ter plaatse moeten weezen daar t' diepen moet
geschieden".
Dit type vaartuigen wordt in Enkhuizen, op Urk en in Vollenhove nog steeds
haringschuit genoemd. Men zou dus kunnen aannemen dat de vissersvloot van de
Enkhuizer Zuiderzeevissers in ieder geval vanaf omstreeks 1750 uit
haringschuiten of schokkers heeft bestaan.
In het stadsarchief van Enkhuizen is een stuk, gedateerd 25 november 1782,
waarin de Heren Burgemeesteren van de stad Enkhuizen bij inschrijving
besteden het uyttrekken oft uytkrabben van vijftien duysend lasten specie tot
het verdiepen van de bank, gelegen in het Crabbersgat in de Zuiderzee voor de
stad Enkhuizen". Behalve allerelei bepalingen komt in deze acte de
volgende zinsnede voor: “De aannemer, die het eerst sijnen aangenomene
lasten heeft opgebracht, sal tot eene vereering genieten, een silvere sak
tabaksdoos". Aan het slot van dit contract staat: “De
ondergetekende bekenne geteekent te hebbe de bovenstaande vijftien duysent
last. Actim Enkhuyse den 25 November 1782. Ary van der Linde”.
Zo is aan de hand van een tabaksdoos nog een stukje geschiedenis van het
Enkhuizerzand te vermelden.
Benamingen van water, grond, kust en
betonning.
In het boek van P. Dorleijn staan veel interessante gegevens over de geschiedenis
in-, op- en rond de Zuiderzee.
Op de kaart van het door de Enkhuizers beviste deel van de Zuiderzee staan de
van belang zijnde lokaties, tonnen en landmerken aangegeven. In veel gevallen
zijn citaten van oud-visserlui aangehaald.
Voor de haven ligt het Krabbersgat, het ontstond in de jaren 1865-1880 door de
aanleg van een geleidedam en werd door de sterke getijdestromen op diepte
gehouden.
Vóór deze tijd belemerden de ondiepten van het Enkhuizerzand de toegang tot de
haven in ernstige mate.
't Hop werd door de Bunschoters de Sjutebank genoemd; "die lagen daar vaak
ten anker".
In de Ril of Rel zijn gedurende de nettenvisserij een aantal landmerken van
belang. Een op de Vest staand molentje gaat, noorduit varend, eerst schuil
achter de stad (de bomen): dat heet 't Molentje Binnen. Verder varend komt het
achter de stad vandaan en spreekt men van 't Molentje Buten. "Als je met
(ansjovis)netten in de weer was en je had 't Molentje binnen dan ging dat wel,
't Molentje Op De Kant kon ook nog wel zo'n beetje maar had je 't Molentje
buten dan had je slechte houwgrond voor je ankers, was 't te slap. Dan moest je
weer verder in 't Vaarwater zitten, tegen de oostkant aan, om en nabij de
Middelton". Aan deze kant van de stad was, afgezien van de grote Toren van
de Zuiderkerk, de Doofpot (koepeltje van het stadhuis) ook de Pijp en de Houder
van de gasfabriek een veel gebruikt merk.
Bij de Vuurtoren of De Ven, (Geldersche Hoek) lag een voornaam plekje voor de
ansjovis. Daar stond vroeger een kaap voor de stormbal (semafoor), die moest
net vrij van de vuurtoren komen; was altijd een wonder zoveel ansjovis als je
daar ving".
"De Barg was een grote boerderij die meer landinwaarts stond. De Barg
Binnen de (vuur)toren, daar is 't nog niet zo diep, kon 't effe meer lije als
't ruw was en je een hoop stroom hadde: De Barg Buten dan wier 't dieper en
kreeg je meer stroom".
De Tenthoek onleent zijn naam aan de Tent. "Een gebouw van de dijk, daar
hielden de ingelanden in vroeger dagen hullie vergaderingen".
't Borgeveld "was laag buitendijks land met een dammetje erlangs, d'r was
een klein haventje waar wat Andijkers lagen met een schouwtje of een
jolletje".
De Meiboom "daar is later de proefpolder aangelegd".
't Spant "was een goeie ansjovisplaats".
De betonning aan de westkant van de Kreupel bestaande uit de Loggerton en de
Grauwe Erwtenton, is in het begin van deze eeuw gelegd ten behoeve van de twee
Enkhuizer loggers. Bij zuidwestenwind waren ze dan in staat om in één keer
vanaf de Vlieter, hoog aan-de-wind, op Enkhuizen aan te leggen. De Grauwe
Erwtenton, ook wel Zwarte Ton genoemd, zou zijn naam ontlenen aan het, op de
loggers gebruikelijke, overboord zetten van de laatste grauwe erwten met de
thuishaven in zicht. Tussen de twee genoemde tonnen is in later tijd nog het Loggerbaken
gelegd.
Het Vaarwater is een afkorting van het op de kaarten aangegeven Grootscheeps
Vaarwater (voor de grote scheepvaart van de zeegaten naar Amsterdam). De
benaming Witte Ton en Rooie Ton is afkomstig van de vroeger gebruikte kleuren
zoals die o.a. nog aangegeven staat op een in 1852 uitgegeven kaart van de Wed.
G. Hulst van Keulen. "Als 't donker was en helder vurengezicht en je
hadden 't witte vuurtje (van Bram) aan de vuurtoren, dan liep je recht op de
Witte Ton aan". De Leier is waarschijnlijk een verbastering van
geleideton.
Achter de Hofstede lag de Oostwal waarin zich vaag de eerste, tweede en derde
geul aftekenden; de eerste was nog wel een voorname plaats voor ansjovis.
Tussen de Hofstede en de Middelton is later nog het baken Lutjebroek Aan De
vuurtoren gekomen.
't Plaatje of Spaanderbank ligt net benoorden de koers Toren (van de
Zuiderkerk) aan de Doofpot.
Als verkennington van het Enkhuizerzand voor de vaart van Lemmer lag het later
opgenomen Baken Van 't Zand.
De koers van de boot Enkhuizen-Urk werd naar één van die boten, de Minister
Havelaar, de Havelaarskoers genoemd. Tussen de Havelaarskoers en het
Enkhuizerzand ligt de Buuk van 't Zand; in later tijd is hier het zgn. Pieter
Pikmansbaken gelegd, genoemd naar de visserman die het voor hem in eerste
instantie nog onbekende baken ophaalde en binnenbracht in de veronderstelling
met een losgeslagen exemplaar te maken te hebben.
De Westrug en Oostrug van het Enkhuizerzand werden respektievelijk gedekt door
de Steert en 't Jak of Havelaartje.
De vissers konden bij rustig weer wel binne 't Jak doorzeilen, ze namen dan de
koers "Toren aan de Doofpot".
Met ruw weer was het door het stampen van het schip gevaarlijker. "De
Sleezer en meerderen kregen daar 't roer d'r af".
Aan de zuidwest kant van het Krabbersgat lag voor Broekerhaven het Lijk; op de
wal stonden daar vroeger acht molens en dan hadden ze (Grote)Broek aan de
Eerste Molen, aan de Tweede Molen, enz. Met Broek aan de Derde Molen kon je
over de (West)-Rug heen in 't Ouwe Gat komen. Later is er een gemaal gekomen en
toen werd 't Broek aan de Pijp. In deze richting doorzeilende, kruist men eerst
het Ouwe Gat, eigenlijk het Oude Hoornse gat, dat voor de aanleg van het
Krabbersgat de vaargeul langs Enkhuizen was. "Dat kon je met een gewone (pik)haak
niet oversteken (peilen), t' was pit-tig diep". De volgende vaargeul is
het Gaatje of Volendammer Gaatje, kom je daarin dan krijg je meteen de Ven
Buiten Enkhuizen. Het Gaatje is minder diep dan het Ouwe Gat en met een haak
van zo'n 12 voet over te steken. Beide waren voor de haring nog wel voorname
visplaatsen; vooral het Gaatje was het steeltje van de Markers.
De dichtloop van het Ouwe Gat (bij de Trentel) was slechts met hoog water over
te steken, het Gaatje liep uit in het smalle maar diepe Pottegat of Pot en
Pannegat. Het Gaatje was vaak een "vanger" voor de binnenvaart uit
Amsterdam, hielden ze met mistig weer even te oostelijk aan dan liepen ze
hierin, in plaats van in het Krabbersgat. Bij uitsteken bleef er in eerste
instantie diepte genoeg maar later verdaagde men dan op de Rug of de Knar.
De benaming Weederhoek of de Weederhuizen is ontleend aan een gelijknamig
gehuchtje; deze naam staat voor de op sommige kaarten aangegeven Blokkerhoek.
Een Zuiderzeekaart uit 1925 van T.P. Keijzer noemt zowel de Blokkerhoek als De
Weed als twee afzonderlijke hoeken. Een zeer bekend landmerk aan de zuidzijde
van Enkhuizen was nog Toren aan de Poort (poort = Drommedaris); op deze koers
kon men vanuit het Krabbersgat over de Rug heenzeilen om uit-eindelijk voor
Huizen uit te komen.
De vuurtoren en andere gegevens van
het eiland Urk.
In 1617 werd op het eiland Urk een vuurbaak, zoals toen een vuurtoren werd
genoemd, gebouwd voor de zeeschepen op weg naar Amsterdam.
De vaarroute van het Marsdiep naar Amsterdam ging voor de diepliggende schepen
namelijk via het Val van Urk.
Eerst gaat het van Amsterdam naar het IJ-oord (zoals toen de toegang tot het IJ
bij Durgerdam werd genoemd) met de toren van Diemen als merkteken, vervolgens
over Pampus tot het oosteinde van Marken.
Ter hoogte van Urk werd de koers meer dan 90 graden verlegd, om zo het
Enkhuizerzand te ontlopen, een lastig obstakel zoals we in het voorgaande
hebben kunnen lezen.
Een merkteken was daar dus geen overbodige luxe.
Op Urk wapperde later een rode vlag overdag en na zonsondergang brandde het
rode licht van de vuurtoren.
Het licht op Urk werd toegevoegd aan "'s Landts Vuurbakens" waarvoor
de zeeschepen vuurgeld moesten betalen.
Die vuurbakens stonden bij Egmond, Huisduinen, op Texel, Vlieland en de Brandaris
op Terschelling en dus vanaf 1617 op het eiland Urk.
Het vuurgeld werd geheven in de haven van Amsterdam.
Verder werd in de havens van Harlingen tonnegeld van de zeeschepen geheven voor
de markering van de zeegaten aan die kant van de Zuiderzee.
In Enkhuizen hief men het daar zogenoemde "paelgeldt" voor de
betonning van het Marsdiep en de kapen op de eilanden.
Aan de oever van het IJsselmeer prijkt sinds 1844 de witte, dubbelwandige
stenen toren van Urk, een dertig meter hoog monument.
Naast de vuurtoren stond de ijzeren stellage met de mistbel en in de buurt
daarvan een houten stellage die als baken voor de schepen dienst deed.
Wanneer je nu de ondiepte die de Urkers "Vormt" noemen wilde
misvaren, dan moest je de Kaap in 't"glop" varen. Met het glop
bedoelen ze de opening tussen de vuurtoren en de nabijliggende kerk.
Zeilend naar Urk duurde het nog ongeveer een uurtje als men het baken van de
Houtrib aan bakboord gepasseerd was.
Met springvloed in zee en veel wind uit het noordwesten duurde de tocht van de
Friese wal naar de Kop van het IJ soms meer dan zeven uur.
Het traject van de Lemmer boot moest dan gevolgd worden wat altijd dicht langs
Urk voer. Als de tocht na twee uur varen te moeilijk werd moest hij de haven
van Urk wel binnen lopen of onder het eiland ten anker gaan: beide
vluchtmogelijkheden waren niet optimaal. De zee was daar bovendien bezaaid met
grote en kleine keien, zelfs met rotsblokken uit de ijstijd.
Nog in deze eeuw had men op Urk zijn eigen benamingen. Een halve of hele liter
was een "koppe" en een "mingele". "Twie kanne
petereulie" stond gelijk aan vier liter peteroleum. Kleine bedragen onder
de ƒ1,50 werden in "steuvers", "stoters" (22 cent) of in
"Skillings" (30 cent) aangegeven. Daarboven rekende men af in
daalders.
Ook het menselijk maatstelsel waarbij lengtematen met duimen (1 cm), palmen (10
cm), voeten (28,5 cm) en vamen (6 voet) aangeduid werden , heeft op Urk nog
lang stand gehouden.
Een vaam of vadem is de afstand tussen de toppen van de middelvingers wanneer
de armen zoveel mogelijk zijwaarts gestrekt werden gehouden.
Potten, pannen en aanverwante zaken kocht men vroeger van de Friese
pottenschippers, minstens éénmaal in de zomer liep hij met zijn pottenschip de
haven binnen.
Met mooi weer stond de handel ook nog aan dek opgesteld, de vrouwen keken hun
ogen uit.
Suyderzeese vuurbakens
In de verordening van 1699 besloten de Staten van Holland en West-Friesland om
drie vuurtorens langs de Zuiderzee te laten bouwen, op verzoek van de
schippers.
De bouw begon in 1700 en was in 1702 voltooid.
Er werd een vuurbaken gebouwd op het eiland Marken, bij de Gelderse Hoek (het
huidige De Ven) en bij het IJ-oord (Durgerdam).
Bij de eerste
steenlegging, door Jan Witsen, van de vuurtoren aan het IJ-oord is in 1700 een
zilveren gedenkpenning uitgegeven met het opschrift "Suyderzeese
Vuurbakens" en de afbeelding van de drie vuurrtorens, de middelste toren
is afgebeeld met een lantaarn, de buitenste twee torens hebben een open
kolenvuur (dit zou echter geen juiste weergave van de werkelijkheid blijken te
zijn). De drie vuurtorens werden de Suyderzeese Vuurbakens genoemd, of in
tegenstelling tot de vuren langs de kust voor de zeeschepen de
"binnenvuren".
De toren op Marken had al enige een open kolenvuur, de andere twee waren
uitgerust met een lantaarn waarin olie of traan werd gestookt, dit in
tegenstelling met de bedoeling van de Zuiderzeeschippers, welke minstens twee
torens wilden hebben waarop kolen werd gestookt, omdat het schijnsel van het
kolenvuur veel verder reikte.
Om de kosten te beperken, werd echter besloten om één kolenvuur te bouwen.
Het geld voor het onderhoud van de bakens werd in Amsterdam geïnd.
Enkhuizen had al vòòr 1700 een vuurtoren welke aan de Noorder Dijk, bij de Ven
Hoek stond.
Een schip van boven de 12 last moest per jaar 32 stuivers betalen voor de in
stand houding van de bebakening. Een schip onder de 12 last moest hiervoor de
helft, dus 16 stuivers per jaar betalen.
Eén last was ongeveer 2 ton.
Zeeschepen kregen in de regel een kwitantie van papier, maar voor de kleine
scheepvaart op de Zuiderzee was dit minder geschikt.
Een loodje was watervast, redelijk goedkoop en eenvoudig te bewerken.
Grote schepen kregen een groter loodje dan de kleinere. Visserschepen,
loodschuyten en waterschepen kregen korting.
Het bakenloodje was een bewijs van betaling.
Als teken dat een reductie was toegepast werd van het vuurlood voor
visserschepen en loodschuiten een stuk afgeknipt.
Om fraude te voorkomen werden op de loodjes de initialen van de schipper
ingeslagen.
De Rijp.
Vanaf de dijk strekt zich een landschap van weiden, sloten, rietkragen en
knotwilgen tot aan de horizon uit, waar de kerktorens van Graft en
Grootschermer zichtbaar zijn. Dit is Eilandspolder.
Vroeger was deze polder een eiland, het Schermereiland, dat door een binnenzee
werd omringd.
Dankzij een van de beroemdste inwoners van De Rijp, n.l. Cornelis Adriaansz
Leeghwater, kwam er in het begin van de zeventiende eeuw een eind aan de lange
deining rond het eiland. Eb en vloed werden bedwongen door een ringvaart en
molengang.
In plaats van de haringbuis waren er nu boerenhoeves te zien. De Rijper zeelui,
die tot aan Groenland de zeeën bevoeren, moesten nu door een ringvaart de haven
bereiken. Dit bleef echter niet goed gaan.
In de volgende eeuw konden de grotere schepen zich niet meer door de ringvaart
wurmen.
Het tijdperk van de hengsten, smakken, galjooten, barkentijnen, damloopers en
Zwartewaalse gaffelaars liep ten einde.
De Rijp heeft twee gekroonde gouden haringen in het wapen. Een herrinnering aan
de oude vissersvloot. Rond 1700 maakten lokale reders hun fortuin op de
walvisvaart. Jan Boon was in de vorige eeuw één van de laatste Rijper reders.
Men bevoer de kusten van Groenland en naderde voorbij Spitsbergen de rand van
het poolijs.
De walvissen werden verwerkt bij Smeerenburg, maar ook in de Beemster en De
Rijp waren traanrokerijen.
Daarnaast ontwikkelden zich allerlei toeleveringsbedrijven zoals scheepswerven,
lijnbanen, kuiperijen en zeilmakerijen.
Vlakbij De Rijp ligt Graft. Graft was altijd armer als De Rijp, maar De Rijp
dankt wel zijn ontstaan aan het initiatief van de Grafters. Die hadden behoefte
aan een vissershaven aan de Beemster. Al gauw kwam de havenbuurt van Graft tot
bloei en ontpopte zich tot concurrent van Hoorn en Enkhuizen. De Rijp maakte
zich los van het hoofddorp, dat evenwel de nodige graantjes meepikte van de
welgestelde Rijper reders en kooplieden. Graft produceerde vooral zeil en touw
en de mannen konden als dekgasten en bramzijgertjes mee op de barre
Groenlandvaart.
Graft telde in de zeventiende eeuw veel meer inwoners dan nu.
DE
LANTAARN VAN IJDOORN.
1. IJdoorn onder het beheer van de
Commissie der Pilotage1.
In hun verordening van 26 november 1699 ordonneren de Staten van Holland en
West Friesland, "dat op het Eyland Marken en den Gelderschen Hoek ijder
een vuurbaaken ende op het IJe-oort een Lantaarn wierde opgeregt".
Wat de voor dit doel op te brengen geldmiddelen betreft wordt hierna
bepaald, "dat de onkosten van het opbouwen van de voorschrevene
Vuyrbaecken sullen worden gevonden de helft tot laste van de Staet, ende de
wederhelft tot laste van de Pilotage, behoudens dat de helft tot laste van de
Staet niet soude moeten excederen de somme van acht duysent guld".
Hoe nu de Commissie der Pilotage deze zaak heeft aangepakt is vrij
nauwkeurig te reconstrueren, omdat de commissoriale rekeningen uit de periode
1698-1706 bewaard zijn gebleven2.
Het is mogelijk, dat de vuurbakens naar een bestaand voorbeeld zijn gebouwd;
een naam van een eventuele bouwmeester is echter niet bekend. Wel staat vast,
dat in het voorjaar van 1700 vrijwel tegelijkertijd met de bouw van de
kustverlichting bij Durgerdam, Enkhuizen en op Marken een begin werd gemaakt,
zodat al aan het begin van 1701 het maximum van de gewestelijke bijdrage, een
bedrag van ƒ8.000,- door de Ontvanger-Generaal, mr. Cornelis van Aerssen van
Hogerheide aan de Commissie der Pilotage kon worden uitbetaald. Met de bouw van
de lantaarn bij IJdoorn is uiteindelijk een bedrag van ƒ9.000,- gemoeid
geweest.
Een aantal bijzonderheden van dit project wil ik hieronder vermelden:
Voor het leggen van het fundament worden een viertal posten in rekening gebracht:
Sieuwert Paulusz verricht het graafwerk en brengt hiervoor ƒ42:6 in rekening;
Jan Aertsz van den Berg levert 62 zware heimasten voor ƒ279:6, welke door
Steven van Diest vakkundig worden ingeheid voor ƒ279:12, terwijl Pieter
Gerritsz Hoen voor de vracht van de masten en het heigereedschap van en naar
Amsterdam een bedrag van ƒ33:7 in rekening brengt. Kennelijk is er in vlot
tempo doorgewerkt, want al op 3 juni 1700 wordt door Jan Witsen Lambrechtszoon
(1684-1703)3,
een volle neef van de Amsterdamse burgemeester uit de Commissie van de
Pilotage, Nicolaes Witsen (1641-1717)4, de eerste
steen voor het nieuwe bouwwerk gelegd5.
1) Voor een overzicht van de
geschiedenis en de ambtstaak van het College van Pilotage kan worden verwezen
naar de Inleiding van de heer J. de Hullu bij zijn artikel "Het Archief
van de Commissaris te Amsterdam, tevens ontvanger-generaal der
vuurgelden", verschenen in de Verslagen omtrent 's Rijks oude Archieven
1923, deel I (pag. 208-232).
Was een viertal burgemeesters van de steden Amsterdam, Hoorn, Enkhuizen en
Medemblik op 19 december 1615 door de Staten van Holland aanvankelijk nog als
een commissie ad hoc belast met het ordenen van de pilotage, al binnen enkele
jaren bleek het college een permanent karakter te hebben verkregen. Naast de
zorg voor de kustverlichting en de aanstelling van de loodsen bij de zeegaten
van de Zuiderzee spraken de Commissarissen op hun standplaats in de eerste
plaats recht in geschillen over loodsgeld en bergloon voor goederen. Uiteraard
had de burgemeester van Amsterdam een belangrijke stem in het kapittel en werd
hij gewoonlijk met het presidium van de Commissie belast. Nog sterker trad de
Amsterdamse afgevaardigde op de voorgrond, toen hij sinds het eind 1688 ook als
ontvanger-generaal der vuurgelden fungeerde, waaronder vanaf 1700 bovendien het
z.g. "binnen-vuurgeld" was begerepen. Door een decreet van de
provisionele representanten van Holland van 5 maart 1795 werd de Commissie van
Pilotage opgeheven.
2) Archief van de Commissarissen van Pilotage in het
Rijksarchief van Noord-Holland, no 122 t/m 130.
3) Zie voor Jan Witsen Lambrechtsz Johan E. Elias "De
Vroedschap van Amsterdam" (Haarlem 1903), deel I, pagina 438.
4) Nederlands Patrciaat 44ste jaargang (1958), pagina 356
vermeldt bij Nicolaas Witsen het volgende: Raad, commissaris, schepen en
burgemeester van de stad Amsterdam, kapitein van de burgerij, bewindhebber van
de O.I.C., gedupeerde der Staten-Generaal, ambassadeur extra-ordinarius aan het
Hof van Willem III, geleerde en kunstkenner.
Uit deze opsomming blijkt de veelzijdigheid op cultureel, maatschappelijk en
wetenschappelijk gebied.
5) De zilveren gedenkpenning van de eerste steenlegging voor de
drie vuurbakens in de Zuiderzee in 1700 door Jan Witsen, voltooid in 1702, is
in het bezit van het Teyler's Genootschap te Haarlem.
In de catalogus van de Historische Tentoonstelling der Stad Amsterdam in 1925
wordt zij vemeld op pagina 151 onder nummer 1789.
Bij het metselwerk is Albert Greven de steenleverancier.
In 1700 worden 63.500 stenen van de IJssel over de Zuiderzee met vijf schepen
aangevoerd (ƒ759:10), voor het verdere vervoer waarvan al op 12 maart 1700 een
gelijk aantal wagens van Adriaan Cornelisz gehuurd zijn; in 1701 volgt dan nog
een rekening van ƒ438:5 voor 32.000 moppen en 40 ton cement. Het metselwerk
zelf wordt verricht onder leiding van de meester-metselaar Hermanus de Bruyn.
De grootste rekening, welke op 22 maart 1702 vereffend wordt, is die van de verlichtingexperts
Jan van der Heyden (1637-1712) en diens zoon Jan van der Heyden de Jonge
(1662-1726) voor het maken, oprichten en zetten van de baaklantaarns, waarbij
koper, lood, blik, ijzerwerk en glas verwerkt wordt:
ƒ1.264:6. Een tweetal leveranties van "olie, traen en cattoen"
wordt eveneens door hen bezorgd, waarvoor in totaal een bedrag van ƒ1052:13
verschuldigd is.
Op een slecht te ontcijferen marmeren gedenkplaat staat het volgende:
De Gr. Mogendheden Staten van
Hollant
en Westfrieslant hebben de Heeren
Nicolaes Witsen, Willem Crap,
Gerard Moeskoker en Nicolaes Brouwer
Burgemeesteren der Steden
Amserdam, Hoorn, Enkhuizen en
Medemblik gedaen oprechten dit baken
als Coms tot de Pilotage
Ao MDCC
De onderkant van de gedenkplaat is dermate verweerd, dat daar nog nauwelijks
de naam van Jan Witsen Lambrechts-zoon valt te ontwaren.
In de eerder genoemde rekeningen van de Commissie der Pilotage staan in het
jaar 1700 een viertal posten die op de gedenksteen betrekking hebben:
15 september 1700:
Betaalt aan Steven Vennekool voor een blok marber No 44 ƒ231:5
bet. aen deselve voor een stuck merber ƒ 6:-
6 october 1700:
bet. aen Johan Ebbelear, steenhouwer voor beelthouwerij
van 't blok marber No 44
ƒ 120:-
nog voor steenhouwerij ƒ
50:-
nog voor 't maken van letteren met swart ingeleijt
en schuijtvragt te samen ƒ 38:10
bet. aen denselve voor maken van hondert en tien
letterenaen 't stuck steen, dat in de gront gelegt is ƒ 12:-
16 november 1700:
bet. aen Gillis Wijnbrantsz, voor menaele oogen en
deuckien tot vastmaking van de gedenksteen ƒ 13:12
Omdat het trio Vennekool-Ebbelaer-Wijnbrantsz ook voorkomen op rekeningen
welke betrekking hebben op de bouw van de vuurtorens bij Enkhuizen en Marken,
is het interessant om deze personen eens afzonderlijk te bekijken:
a) Steven Vennekool (1657-1719)
Zoon van Jacob van Campen's
medewerker Jacob Vennekool. Hoofdzakelijk is hij bekend als bouwer van
Enkhuizen's stadhuis: 1686/1688. In het tijdvak 1692-1700 is hij in dienst van
Amsterdam,
in welke functie hij de laatste twee
jaren werkzaam is bij de afwerking van het stadhuis.
b) Johannes Ebbelaer (1666-1706):
Leerling van de Haagse
stadsbeeldhouwer Frederick van Tongeren (1679). Verhuist later naar Amsterdam,
waar hij in een akte uit 1693 "marmore beelthouwer" wordt
genoemd.
Waarschijnlijk heeft hij zich ook
als tuinarchitect verdienstelijk gemaakt.
c) Gillis Wijnbrantsz (1647/48-????):
Vermoedelijk identiek met Gillis
Wijnbrantsz de Jonge, die op 7 juli 1676 te Amsterdam aantekent met Cornelia
Sweeling, weduwe van Arnout Mits.
Als we er van uitgaan dat de Amserdamse burgemeester in de Commissie der
Pilotage in het algemeen al een belangrijke stem in het kapittel had, dan hoeft
het ons niet te verbazen, dat we bij de keuze van de vaklieden en experts voor
de bouw van de voor Amsterdam zo belangrijke vuurbaak bij Durgerdam meer dan
eens de invloed van Nicolaes Witsen tegen komen.
Het duidelijkst komt dit aan het licht bij de opdracht aan vader en zoon Jan
van der Heyden voor het aanbrengen van de verlichting. Laatsgenoemde had immers
nauwelijks een jaar te voren (op 4 april 1699) een lantaarn met
traanverlichting voor de IJkant afgeleverd, hetgeen hem nadien de leverantie
van dit soort verlichting voor de hele stad had bezorgd.
Ook voor de hulp van het trio Vennekool-Ebbelaer-Wijnbrantsz is Nicolaes Witsen
vermoedelijk verantwoordelijk geweest.
Steven Vennekool is juist in deze jaren als ambtenaar in dienst van de stad
Amsterdam ingeschakeld bij werkzaamheden aan het nieuwe stadhuis. In 1697 heeft
ene Simon Vennekool de wanden van de grote zaal en de galerijen van het nieuwe
stadhuis met wit Siciliaans marmer bekleedt.
Er bestaat een band tussen Johan Ebbelaer en de familie Witsen. Ebbelaer's
meesterwerk, zijn levensgroot marmeren beeld van Bacchus, wordt in 1717 op de
verkoping van Jonas Witsen (1676-1715)
(waarschijnlijk de veiling van zijn nalatenschap) verkocht voor een bedrag van
ƒ500,-. Deze Jonas nu is een volle neef van Nicolaes Witsen en wel de zoon van
zijn vroeg overleden broer Jonas (1647-1675), die evenals Nicolaes bekend staat
als een bevorderaar van kunsten en wetenschappen. Voor deze beide
bloedverwanten heeft Nicolaes een grote genegenheid gekoesterd, vooral het
overlijden in 1715 van Jonas Jr., trof hem diep.
Ongetwijfeld zal Amsterdam nog meer vaklieden voor de bouw van de vuurbaak
hebben geleverd: het vervoeren van de masten en het heigereedschap van en naar
Amsterdam door Pieter Gerritsz Hoen wijst al in deze richting.
In hoeverre zijn de Durgerdammers nu zelf bij de bouw betrokken geweest? Hun
aantal blijft beperkt tot een tweetal, namelijk Jan Jansz Strij(d)t en Gerrit
Albertsz Klijbroek, Waterlandse Rooms-Katholieken, die tot de parochie van
Nieuwendam behoren. Jan Jansz Strijt verricht aanvankelijk slechts handlangers-
en wachtdiensten, verderop in dit artikel komen we hem echter nog tegen als
vuurtorenwachter.
Gerrit Albertsz Klijbroek zal vermoedelijk timmerwerk verricht hebben; in 1701
wordt hij niet alleen voor arbeidsloon gecrediteerd, maar ook vanwege leveranties
van hout en ijzerwaren. Deze relatie heeft eveneens een meer blijvend karakter
gekregen, want op 29 juni 1752 treffen we zijn neef Albert Lambertsz Klijbroek
(1698-1763) weer aan als onderhoudstimmerman bij de vuurtoren.
Uit een doorsnede-tekening van 1887 kennen wij de hoogte van IJdoorn's
voormalige lantaarn alsmede van zijn verschillende onderdelen: de eerst twee
verdiepingen zijn vier meter hoog, de derde verdieping meet drie meter, terwijl
tenslotte de hoogte van de lichtopstand 4,5 meter bedraagt. Met de onderbouw
mee komen we zo op een totale hoogte van 19 meter.
Uit de geschiedenis van de lantaarn in de 18e eeuw zijn slechts
fragmenten bekend. Het bronnenmateriaal is beperkt: Buiten de periode van 1698
tot 1706 zijn er slechts commissoriale rekeningen van het jaar 1756 en van de
periode 1777 tot 1795. Daarnaast kan er nog gekeken worden naar de dagregisters
van de jaarlijkse inspectiereizen over de periode van 1744 tot 1785 terwijl
archiefnummer no 61 bestektekeningen en kostenramingen bevat van de herstel
werkzaamheden aan de vuurtoren in de periode van 1745 tot 1769.
Op 14 augustus 1745 constateerde de Commissie van de Pilotage op haar
inspectiereis, dat "het vierkant rondom de Baklantaarn in een slegte
toestand zijnde, principaal de grond voor de schoeiing geheel weggespoeld als
ook de spetie, welke in 't gepasseerde jaar agter is gelegt, uitgeslagen."
Er wordt overleg gepleegd om de lantaarn te behouden: de opzichter van de
Muiderdijk, Aart de Mutsert, komt met een tweetal projecten op tafel: het
eerste moet de afslag van de grond in de winter voorkomen, het tweede beoogt
het gehele werk onder handen te nemen. Met de verbeteringen is een bedrag van
ƒ761,- gemoeid, terwijl de totale versterking van de vuurbaak op ƒ4.178,-
begroot wordt, wat dus neerkomt op bijna 50% van de bouwkosten, maar dan
vertrouwt de Mutsert er ook op, dat "de Vuurtoren op dese wijse
versterkt geen schaden daeraen te vreesen is en het zelfde werk in staat is om
de zee te kunnen verdeuren". De toren wordt onder meer voorzien van 13
roeden paalwerk van 15 voet lengte, waarop de glooiing van puin en keien moet
komen te rusten. Op de zuidkant helemaal en de oost- en westkant gedeeltelijk
beschermd; de rest van het vierkant wordt weliswaar ook met keien verzwaard,
maar het paalwerk ontbreekt hier. Beide plannen worden ten uitvoer gebracht,
maar het resultaat beantwoordt blijkbaar niet aan de verwachting, want een jaar
later op 12 augustus 1746 moet de Commissie tot haar spijt constateren dat aan
de zuidwest kant van de toren de grond onder de stenen glooiing is weggespoeld,
zodat "de stenen als het ware op het punt staan in de zee te
kantelen". Achteraf heeft men ook spijt dat de stenen op deze plaats
niet één of twee rijen lager zijn gelegd.
In 1769 is het de beurt aan de landmeter en opzichter van de Muiderdijk Jan van
Houwelingen (1732-1801), om aan de Commissie van Pilotage advies uit te
brengen.
Van Jan van Houweningen zijn meer gegevens bekend als van Aart de Mutsert. In
1775 schreef het Genootschap "Floreant liberales artes" een
prijsvraag uit over het onderwerp "Welke is het best en minst kostbaar
middel, om het IJ, zonder behulp van eenige werktuigen, zodanig te verdiepen,
dat het ten allen tijde voor allerleije schepen bevaarbaar zij?". Jan
van Houweningen was een kenner van de zeestromingen voor Amsterdam en won de
prijsvraag met een premie van dertig gouden dukaten.
Uit de door hem gemaakte tekeningen en zijn begeleidend rapport kunnen we
opmaken dat de situatie van IJdoorn's vuurbaak sinds de voorzieningen van Aart
de Mutsert niet erg is verbeterd.
Aan de westzijde van de toren is inmiddels een diepe inham ontstaan, terwijl
tot overmaat van ramp in de winter van 1768 ook nog de verhoogde grond achter
het plankier aan de oostzijde is weggeslagen, zodat "thans het geheele gebouw
met een wijnig meer dan ordinaire vloeden, geen genoegzame zeeweringe heeft, om
de aanslag van het waater, zoo voor het front als ten weder zijden te kunnen
verdeuren, waar nog bij komt, dat de dieptens de oevers sterk naderen, waardoor
de wijnige keysteenen voor het front ontgronden en in de dieptens koomen te
zinken en de weederzijdse oevers, eertijds tot dekkinge van het gebouw,
doordien worde ontrooft en weggeslaagen, vermits dat in dier gevalle
onvermeijdelijk, de gronde, welke veenagtig en moerassig zijn, van tijd tot
tijd agter het gebouw moeten verlaagen en wegslaan en gevolgelijk te vreese
staat in korte jaren het gebouw rondzomme van het waater word
ingeslooten".
Van Houweningen wenst het vierkante territoir van de vuurtoren te
versterken met een rijs- en pakberm en deze vervolgens met keistenen te
bedekken, niet alleen aan de zuidzijde, maar ook de oost- en westzijde tot aan
de oevers van de Buitenpolder, waardoor voorkomen wordt dat het zeewater de
toren aan de vrijwel onbeschermde noordzijde kan aantasten. Daarnaast streeft
hij ook naar een doelmatiger oeverbescherming. Op de inspectiereis van 11 juli
1769 wordt in tegenwoordigheid van Jan van Houweningen toestemming verleend
voor de aanleg van de stenen glooiing ten behoeve van de vuurtoren zelf; over
de vraag, hoe het land buitendijks terzijde van de vuurtoren behouden zal
moeten worden, wenst de Commissie zich echter nog nader te beraden.
Onopgelost is nog de vraag van wanneer de houten brug dateert, welke de
noordwest punt van de vuurtoren met de vaste wal verbindt volgens een tekening
van 24 april 1796.
Op 9 februari 1702 wordt door de Commissie aan Leendert van Dulken een bedrag
van ƒ13,- betaald voor het teren van de leuningen en de brug van de vuurbaak,
de kosten van de brug zelf komen nergens onder de bouwrekeningen voor, terwijl
hiermee toch een aanzienlijk bedrag gemoeid zal zijn geweest.
In de verslagen van de inspectiereizen wordt op 15 augustus 1744 gemeld, dat de
brug in goede staat is; acht jaar later ziet de situatie er echter heel anders
uit.
Er is inmiddels al aan de stoker opgedragen om door de onderhoudstimmerman
A.Cleijbroek een lijst van benodigde reparaties te laten opmaken.
Zijn begroting moet op 29 juni 1752 zijn ingediend. In een archiefmap bevindt
zich een losse ongedateerde aantekening met de volgende inhoud: "Een
brug aan de Vuurbaak tot Durgerdam van 275 voet lang, gemaakt na de tekening,
de leuning en planke van greene hout, de hoofden en palen van eikenhout. Sal
kosten voor hout en arbijtsloon de somma van ƒ585:1:1".
Het is mogelijk dat dit simpele papiertje de begroting van de
herstelwerkzaamheden uit het jaar 1752 moet voorstellen, maar het kan ook zijn,
dat het de begroting is van de bouwkosten van de al bestaande brug. In ieder
geval zal de bouw tussen 1706 en 1744 plaats gevonden hebben, omdat het niet
aannemelijk is, dat een bedrag van een dergelijke orde van grootte in de
commissioriale rekeningen van 1698 tot 1706 geruisloos zou zijn weggewerkt. En
daaruit zou dan weer moeten volgen, dat de oorspronkelijke brug van Leendert
van Dulken uit 1702 eenvoudiger en goedkoper van opzet was!
Op 3 januari 1780 wordt aan Jan van Houweningen een bedrag van ƒ64:13
uitbetaald voor de aanleg van een "rijste en steenen pakkistinge voor en
langs het buijtenland aan den Westzijde van den vuurtoren ter lengte van circa
60 roeden". Misschien is deze uitgave nog te beschouwen als een tegoed
wat was besloten in het commissiorale beraad van 11 juli 1769.
Door een terloopse mededeling van Jacob Hooft, uit zijn dagboek over de reizen
met de Commissarissen van de Pilotage in de jaren 1777 en 1778, is er nog iets
te melden over de lichtsterkte van de vuurbaak. Bij Durgerdam wordt
aangetekend, dat de lantaarn voorzien is van een lamp met negen zeer dikke
pitten. Hetzelfde vermeldt hij trouwens ook van de vuurtoren op de Gelderse
Hoek, wat opmerkelijk is omdat de kustverlichting daar ter plaatse aanvankelijk
met een kolenvuur onderhouden werd. Uit de commissoriale rekeningen is verder
op te maken, dat het katoen voor deze pitten door Arend Almenum uit Amsterdam
geleverd werd en later door zijn erfgenamen, zolang als de Commissie van de
Pilotage is blijven bestaan.
2. IJdoorn bij de fortificaties van
de stelling Amsterdam.
In de 18e eeuw was de grootste zorg van het loodswezen de
gestadige afslag van de grond rond het bouwwerk, in de 19e eeuw komt
hierin verandering als Luitenant-Generaal C.R.Th. Baron Krayenhoff (1758-1840)
de vuurtoren in 1809 gaat benutten in de kustbatterij van de Amsterdamse
liniën. Hoelang de vuurtoren nog voor dit doel gediend heeft na de Franse
overheersing is niet bekend. Ongetwijfeld heeft de batterij zelf veel te lijden
gehad van de stormvloed van februari 1825, waarbij de nabij gelegen
fortificatie aan het Kinselmeer zelfs helemaal door het water verzwolgen werd.
Voor 1845 is de vuurtoren van IJdoorn van een aangebouwde dienstwoning
voorzien. In deel III van het Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden van
Van der Aa (1841) wordt vermeld dat enige jaren geleden, dus vóór 1841, aan de
noordzijde van de vuurtoren een woning voor de lichtwachter is gebouwd, uit
nadere informaties bij het Directoraat-Generaal van het Loodswezen blijkt, dat
het bouwjaar van deze woning moet liggen tussen 1834 en 1838.
Het vuurtoreneiland heeft nog diverse militaire doelen gediend.
Wel vermeldenswaardig is het feit dat de oude vuurtoren met de daarmee
verbonden lichtwachterswoning in 1893 gedoemd waren te verdwijnen. Hiervoor in
de plaats verrees in hetzelfde jaar de tegenwoordige ijzeren kunslichttoren,
terwijl aan de lichtwachterswoning een veiliger plaats in de vesting werd
toebedeeld.
Het daadwerkelijke gevaar van een aanval op Amsterdam door vijandelijke
vlooteenheden via de Zuiderzee werd in de loop der jaren steeds kleiner, zodat
in 1904 de laatste drie vuurmonden van het Vuurtoreneiland naar de stelling van
Den Helder werden overgebracht. Daarmee kwam aan het Durgerdamse bolwerk eem
einde.
De lichtwachterswoning werd tussen 1940 en 1945 verwoest door de Duitsers. Zij
werd in 1951 herbouwd op de fundamenten van haar voorgangster. Slechts de
gedenksteen van de Commissarissen van de Pilotage uit 1700, ingemetseld naast
de deur, is nu nog het enige overblijfsel wat herinnert aan de dagen dat het
loodswezen hier voor het eerst voet aan land zette.
3. De vuurtorenwachters van IJdoorn.
Uit de oudste commissoriale rekeningen van IJdoorn met betrekking op de
betaling aan Jan Jansz Strijt is het volgende op te maken:
1. 21 juli 1700:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
arbeidsloon, nachtwaken en verschot ƒ
120:5
(op deze datum ontvangt hij ook een
bedrag van ƒ 14:8 voor werkzaamheden welke hij verricht heeft voor de
vuurtoren van Marken).
2. 18 februari 1701:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
114 dagen arbeidsloon en enig verschot ƒ 111:2
3. 18 augustus 1701:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
een half jaar "oppassens" op de lantarenbaak ƒ 112:10
4. 5 october 1701:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
arbeidsloon en het vullen van zand en klei aan de dijk enz. ƒ 16:6
5. 12 october 1701:
Betaald aan dezelve voor drie-vierendeels jaars oppassen en van
stoken van de vuurlantaren (1e, 2e en 3e
kwartaal 1701) ƒ 168:15
6. 3 januari 1702:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
drie maanden salaris als lantaarnstoker (4e kwartaal 1701) ƒ
56:5
7. 10 juli 1702:
Betaald aan Jan Jansz Strijt voor
arbeidsloon (1e halfjaar 1702) ƒ 112:10
Vanaf het begin van 1701 krijgt Jan Jansz Strijt een konstante beloning van ƒ
56:5 per kwartaal, voor het werk wat hij als stoker van de vuurbaak verricht,
al lijkt het op het eerste gezicht dat de hierboven vermelde betalingen sub 3
en 5 elkaar overlappen, tenzij de betaling van 18 augustus 1701 nog betrekking
zou hebben op werkzaamheden, in het jaar 1700 verricht. Theoretisch zou het
zelfs dus mogelijk zijn, dat Jan Jansz Strijt al in 1700 het vuur van IJdoorn
brandende heeft gehouden, als met het woord oppassens ook stoken wordt
bedoeld. Enige onderbouwing van deze stelling zou misschien nog gevonden kunnen
worden in een betaling welke Nicolaes Witsen op 3 januari 1701 aan zichzelf
doet vanwege "reijskosten gedaen op een vojagie door den rendant na 't
IJ-oort om het vuur aen de opgeregte baek te doen aensteken".
Uit de rekeningen over de jaren 1703 en 1704 is op te maken dat Jan Jansz
Strijt naast stoker ook als ontvanger van het vuurgeld fungeert, waarvoor hij
1/6 deel van de ontvangst als provisie krijgt. Daarnaast ontvangt hij nog een
vergoeding van ƒ 3,- voor het opmaken van de jaarrekening.
Op deze wijze ontvangt hij in het jaar 1703 een bedrag van ƒ 23:8 boven
zijn vaste verdiensten en in het jaar 1704 een bedrag van ƒ 18:12.
Uit de commissoriale rekeningen zijn dus de verdiensten van Jan Jansz Strijt te
berekenen, over zijn verdere rechten en plichten is weinig bekend.
Een arbeidscontract is nergens te vinden, terwijl de eerste bekende instructie
voor de stoker van de baaklantaarn van 22 februari 1777 dateert.
Toch is het waarschijnlijk dat ook vóór die tijd de mogelijkheid heeft bestaan
om een nalatige stoker financieel of op een andere wijze te cor rigeren. In dit
verband kan worden verwezen naar een notificatie van de Commissarissen tot de
Pilotage, uitvloeisel van de eerdergenoemde resolutie van de Staten van Holland
en West-Friesland van 26 november 1699, welke bij de Amsterdamse boekhandelaar
Petrus Schouten uit de Kalverstraat is verschenen: “Voorts hebben
Commissarissen geresolveert te beloven / so als sij doen bij desen / de premie
van vijf en twintig Guldens aan degene / die sal komen aan te toonen / dat van
de voorschreven Binnen Vuuren of Lantaarn (sc. Enkhuizen, Marken, Urk
(1617) en IJdoorn) of ook de andere Vuuren aan de Noordzee / een geheele
nagt doof of niet brandende zijn gezien of bevonden / opdat de Vuurstokers aan
dezelve Vuurboeten / tot haar pligt / en wel oppassen konnen werden gehouden en
sal des Aanbrengers naam worden verzwegen".
Bij gebrek aan gegevens is er pas in 1744 weer wat te lezen over Jan Jansz
Strijt, vermeld in het verslag van de inspectiereis van de Commissie tot
Pilotage uit 1744, het oudste dat bewaard is gebleven.
Zijn diensttijd is dan bijna ten eine, want de officiële aanstelling van zijn
opvolger Teunis Hendriksz Strijt van de hand van Mr. Willem Munter, de
Amsterdamse burgemeester in de Commissie tot de Pilotage, draagt als
dagtekening 18 september 1747. Het betreft hier een officiële aanstelling, want
in hetzelfde dossiernummer is nog een verklaring te vinden, afgegeven te
Amsterdam op 31 maart 1756 1
met de volgende inhoud: "Na voorgaande en vrijwillige afstand van Jan
Jansz Stryt oud ruym 90 jaren vuurstoker of lantaarnopsteker op de Vuurtoren
van en bij Durgerdam op 't IJ-oord stelle ik ondergeschreevene als Commissaris
ter Pilotage en van haar Ed. Groot. Mog. tot wederzeggens toe aan de persoon
van Teunis Hendrikse Streijt in deszelfs plaatse op een tractement als gemelde
Jan Jansz Streijt zijn grootvader heeft genoten, lastende en verzoekende een
ieder ten deese geraakt de eersame voonoemt daarvoor te erkenne".
Jan Jansz Strijt is op 20 oktober 1746, oud 91 jaar, te Durgerdam begraven.
1) Beide bescheiden bevinden zich in het dossiernummer No
109 van het Archief van de Commissarissen van de Pilotage. Wat betreft de
verklaring van 31 maart 1756; er heeft waarschijnlijk een verschrijving plaats gevonden.
De datum 31 maart 1746 zou
ongetwijfeld beter in dit verband passen.
Het is dus waarschijnlijk dat zijn kleinzoon Teunis hem in 1745 of 1746 op de
vuurbaak is opgevolgd.
Omdat Teunis de laatste van het geslacht Strijt zal zijn, die IJdoorn's
verlichting zal verzorgen, voordat zijn stokers- en ontvangers-funktie onvermijdelijk
in 1777 en 1782 in andere handen overgaan,
is een genealogisch overzicht van de familie Strijt interessant, voor zover het
voor onderwerp van belang is:
I Jan Jansz Strijt,
vuurtorenwachter.
Gedoopt: Durgerdam? /
Nieuwendam? 1654/1655.
Begraven: Durgerdam 20 oktober
1746.
Gehuwd te Ransdorp Nieuwendam?
op 10 januari 1683 met Marijke
Henderick Theunisz.
II Hendrick Strijt
Gedoopt: Durgerdam? /
Nieuwendam?
Begraven: Durgerdam 6 mei 1744.
Gehuwd te Ransdorp /
Nieuwendam, 28 januari 1714 met Marietje Jans Vos. Kinderen uit dit huwelijk:
1 Jan Strijt: Gedoopt Durgerdam
/ Nieuwendam 8 mei 1717.
2 Maria Strijt: Gedoopt
Durgerdam / Nieuwendam 12 juni 1718.
3 Jan Strijt: Gedoopt Durgerdam / Nieuwendam 8 februari
1720.
4 Antonie Strijt: Gedoopt
Durgerdam / Nieuwendam 4 januari 1722.
Begraven te Durgerdam 2 april
1722.
5 Antonie (Teunis) Strijt.
Volgt III
III Antonie Strijt, vuurtorenwachter
Gedoopt: Durgerdam / Nieuwendam
12 december 1723.
Overleden: Durgerdam 21 mei
1782.
Begraven: Durgerdam 25 mei
1782.
Gehuwd te Ransdorp / Nieuwendam
9 april 1747 met Aeltje Jansz Hiddes, afkomstig uit de Buikslotermeer onder
Zunderdorp.
Gedoopt: niet te Nieuwendam.
Begraven: Durgerdam 2 maart
1751.
Hertrouwd te Ransdorp /
Nieuwendam op 21 november 1751 met Marietje Hendriks Hogeboom, voorheen wonende
in de Buikerslootmeer in de Iurisdictie van Zunderdorp,
gedoopt te Nieuwendam 13
februari 1729.
Uit het tweede huwelijk één
zoon:
Hendrik Strijt: Gedoopt
Durgerdam / Nieuwendam 12 juli 1754.
Teunis Strijt heeft zijn stokerfunctie op IJdoorn in ieder geval drie
decennia vervuld. Wanneeer hij deze precies heeft opgegeven valt niet met
zekerheid te zeggen.
In de commissioriale rekeningen staat op 15 januari 1777 een uitbetaling van
zes maanden tractement (2e halfjaar 1776) ten name van zijn opvolger
Jan Pos, terwijl een andere aantekening 22 februari 1777 als aanvangsdatum van
Pos' dienstverband aangeeft, maar het is mogelijk dat op het laatsgenoemde
tijdstip de officiële registratie van het dienstverband plaats vond.
Als ontvanger van het binnenvuurgeld heeft hij in ieder geval gefungeerd tot
zijn dood op 21 mei 1782; Jan Pos solliciteert ook naar deze betrekking en
wordt op 17 juni 1782 als zodanig aangesteld en beëidigd.
De tekst van het eedsformulier voor de ontvangers van de vuurgelden staat
vermeld in het dossiernummer 109 van het Archief van de Commissarissen der
Pilotage: "Gij belooft en sweert, dat gij voor den Landen getrouwelijk
sult ontvangen soodanige vuurgelden als gij door den Ontfanger Generaal
derselve (ingevolge de ordonnantien en resolutien van hun Ed. Gr. Mog. de
Heeren Staaten van Holland en Westvriesland op de Vuurgelden gedaan ofte mogte
doen emaneren), te ontfangen sult sijn gequalificeert: dat gij van die
ontfangen penningen boek sult houden en deselve sjaarlijks en des gerequireert
wordende ten allen tijde met den voornoemde ontfanger generael sult koomen
verrekenen, soo des behoort; dat gij U voorts in allen delen sult gedragen als
een getrouwe en opregte gequalificeerde ontfanger verplicht is en behoord te
doen, Soo Waarlijk helpe U God Almachtig."
Waarom Teunis Strijt zijn stokersfunctie heeft opgegeven en slechts zijn ontvangersambt is blijven uitoefenen blijkt nergens. De rapporten van de jaarlijkse inspectiereizen van de Commissarissen der Pilotage bevatten geen enkele aanwijzing, waaruit het mogelijk ontstaan van een conflict zou zijn af te leiden; evenmin wordt gezinspeeld op een achteruitgaande gezondheidstoestand van de vuurtorenwachter.
Financieel was deze reductie weinig aantrekkelijk, omdat de gemiddelde ontvangersprovisie in deze tijd slechts op ƒ 6,- per jaar werd geschat, hetgeen aanmerkelijk minder is als hetgeen Jan Jansz Strijt aanvankelijk ontving. Deze inkomsten kunnen worden vergeleken met de inkomsten uit de stokersfunctie omdat er gegevens bekend zijn uit de jaren 1756 en 1783:
1756: 1783:
Stokerstractement ƒ 225,- ƒ 225,-
Turf ƒ 15,- ƒ 15,-
Voor 't werken van Olij1 ƒ 27:13 ƒ
45:17
Totaal: ƒ
267:13 ƒ 285:17
1) Misschien is hierbij inbegrepen het transport van
raap- en lijnolie van Amsterdam naar Durgerdam. In ieder geval is bekend dat de
olie gedurende de periode 1777-1795 betrokken werd van de Amsterdamse firma
Meerkrap en de Jong. Deze was omstreeks 1780 gevestigd op de N.Z. Voorburgwal
achter het stadhuis; in de 19de eeuw verhuisde zij naar de O.Z. Voorburgwal.
Zoals al eerder opgemerkt vond de officiële aanstelling van Jan Pos op 22
februari 1777 plaats en wel in de navolgende bewoordingen:
"Ik ondergeschreeve Nicolaas Warin, scheepen der stad Amsterdam in
qualitijd als Commissaris van Haar Ed. Groot Moog. de Heeren Staaten van
Holland en West-Friesland tot zaaken van de Pilotage benoorden de Maze
mitsgaders Ontfanger-generaal der Vuurgelden stellen aan tot weederzeggens toe
den persoon van Jan Pos tot Stooker op de Baak staande op de Hoek van het IJ
buyten Durgerdam en dat op het loon daartoe staande neevens gehegte Instructie
Lastende een yder ten deezen geraakt hem daarvoor te erkennen".
Dan volgt de tekst van de instructie, waarvan niet helemaal duidelijk is of
de materiële inhoud ook al voor Jan Jansz en Teunis Strijt heeft gegolden:
Artikel 1
Den stoker zal gehouden zijn altoos des avonds tenminste een uur voordat het
tijd is om het Ligt te ontsteeken zig in persoon aan de Toorn te bevinden om de
noodige voorbereidsels te maken, opdat het altoos op behoorlijke tijd brand.
Artikel
2
Zal gehoude zijn geduurende de gantsche tijd, dat er Ligt brand niet alleen in
den Toorn te blijven, maar ook telkens na het Ligt te gaan zien en goede
toezigt houden, dat 't zelve helder en wel brand en zorge dragen, dat er geen
ongemak van brand of anderzints door veroorzaakt werd.
Artikel 3
Wanneer het IJs zodanig in 't water legt, dat er geen Scheepen hoegenaamd in
het gezigt van de Lantaarn kunnen vaaren, zal den Stoker geen Ligt aansteken.
Artikel
4
Des s'morgens alvoorens van de Toorn te moge gaan, zal den Stoker gehouden zijn
te bezorgen, dat het Ligt en alle andere brandstoffen ter deeg zijn uytgedoofd
alsmede de Lantaarn eerst rijnigen, de glazen en spiegels schoonmaken, de
Lampen vullen en alles weder in volkome order brengen tegens de volgende nagt,
om zo min doenelijk met Ligt buyten de Lantaarn bij de Oly te komen.
Artikel
5
Den Stoker zal nooit zijn post door een ander moge late waarneemen als alleen
in geval van ziekte als wanneer hij een ander persoon die bekwaam is in zijn
plaats en ten zijnen Risico zal mogen gebruijken.
Artikel 6
Den Stoker zal gehoude zijn deeze Instructie in alle zijne deelen punctueel na
te koomen op poene van ses guldens te verbeuren voor de eerste reyze, twaalf
guldens voor de tweede reys, ten profijte van den officier en voor de derde
reyze contrarie doende zal arbitralijk gecorrigeerd worden.
Over Jan Pos is helaas weinig bekend. In ieder geval is hij in 1795 nog
vuurtorenwachter, want op 6 januari van dat jaar ontvangt hij voor de laatste
maal zijn halfjaarlijks salaris ten bedrage van ƒ 112:10 uit handen van
de Commissie tot de Pilotage, omdat deze taak op 5 maart 1795 door het
"Generaal Committé van Marine" zal worden overgenomen.
Het is opmerkelijk dat het salaris van de vuurstokers van IJdoorn gedurende de
hele 18de eeuw op ƒ 56:5 per kwartaal is vast blijven staan.
Hoe het Jan Pos onder zijn nieuwe superieuren vergaan is, vermeldt de historie
helaas niet.
In 1844 werd het Archief van Marine 1796 - 1713 door een zware brand
geteisterd; voor zover de archivalia behouden bleven, zijn daarin geen gegevens
over IJdoorn te vinden.
De geschiedenis van de vuurtoren van IJdoorn is weer te vervolgen op 18 mei
1826. Dan begint met Jan Cornelis de dynastie van de familie Engel op IJdoorn.
Deze familie is tot op de dag van vandaag het beroep van vuurtorenwachter op
IJdoorn trouw gebleven waarmee een periode van meer dan 140 jaar is overbrugt.
Het echtpaar Jan Cornelisz van Marken en Lijsabet Claasdr Kist (1725-1781)
treed op 26 mei 1748 in het huwelijk te Durgerdam. Hun zesde kind, Aagje, kreeg
bij haar doop op Nieuwjaarsdag 1761 te Durgerdam de fraaie achternaam Engel. Of
men met deze naam een oude familienaam in ere wilde herstellen of nu juist een
nieuwe wilde introduceren is niet bekend.
De oudste zoon van het echtpaar, die nu de naam Cornelis Engel (1749-1808)
draagt, huwt op 15 maart 1772 te Durgerdam met een Marker meisje, Neeltje Klaas.
Cornelis zal vermoedelijk, net als zijn broers Klaas (1755-1813) en Jacob
(1768-1815), het beroep van visser hebben uitgeoefend. Het echtpaar Engel-Klaas
krijgt zeven kinderen, vijf jongens en twee meisjes.
De jongste zoon Jan Engel (1787-1856), op 3 december 1815 gehuwd met een
Durgerdammer vissersdochter Maritje Boon (1793-1833), heeft achtereenvolgens
het beroep van visser (1815), arbeider (1817) en weer als visser (1819)
uitgeoefend. Bij Besluit van Zijne Majesteit van 18 mei 1826 No 112 wordt hij tot
wachter bij de verlichting aan de Hoek van 't IJ aangesteld, een functie, die
hij tot 1 november 1855 zal blijven vervullen.
Een familielegende, dat Jan Engel zijn aanstelling in hoofdzaak te danken zou
hebben gehad aan zijn vaderlandslievende houding tijdens het Napoleontische
tijdvak, is niet met zekerheid te achterhalen.
Van de negen kinderen van Jan Engel en Maritje Boon blijven er slechts vier in
leven. Hiervan treedt de enige stamhouder, Jan Engel (1830-1903), op 18
november 1852 in het huwelijk met Grietje Lof (1824-1874), boerendochter van
Holysloot, een jaar nadat zijn zuster Marritje Engel (1828-1854) met Grietje's
broer Egbert in de echt is verbonden. Voordat Jan Engel op 1 november 1855 de
zorg voor IJdoorn's vuurtoren van zijn vader overneemt, heeft hij nog het
beroep van visser uitgeoefend in 1852 en 1854. Ruim 46 jaar is Jan Engel te
IJdoorn op zijn post gebleven, totdat hem op 1 januari 1902 eervol ontslag uit
zijn functie wordt verleend. Het afscheid viel hem zwaar, ook al had zijn jongste
zoon Eldert Engel (1880-1945), hem al het laatste jaar noodgedwongen het heft
uit handen moeten nemen. Geen wonder, dat deze dan ook de meest aangewezen
persoon is, om zijn taak op IJdoorn over te nemen.
Maar Eldert's verblijf op IJdoorn zal niet van lange duur zijn: Wanneer blijkt
dat zijn uit Hindelopen afkomstige vrouw Anna Draayer niet tegen de eenzaamheid
op het Vuurtoreneiland bestand is, neemt hij per 1 maart 1905 ontslag. Gelukkig
wordt Eldert's halfbroer Jan Engel (1863-1947), bereid gevonden het voorvaderlijk
beroep over te nemen, om dit op zijn beurt op 1 december 1926 weer over te
dragen aan zijn zoon Dirk Engel (1900). Het gezin van Dirk Engel bestaat uit
vijf personen. Dirk had zich bij de schippers de bijnaam "Engelbewaarder
van het IJsselmeer" verworven.
Er is de laatste twee decennia veel over het Vuurtoreneiland in de literatuur
verschenen. Toen de heren Ringeling en Schade van Westrum op 22 juli 1961 de
familie Engel op IJdoorn bezochten, is er gesproken over de beklemmende stilte
in het bestaan van de vuurtorenwachter en of zoon Jan Engel (1943) over enkele
jaren in de voetsporen van zijn vader zou treden. Dit bleek eerder het geval
dan dat de bedoeling was; op zondag 17 september 1961 is Dirk Engel na een
kortstondig ziekbed overleden. Kort daarop is op IJdoorn een keuze voor het
leven gedaan: Jan Engel heeft voor zijn toekomst het traditionele beroep van de
familie boven een walbetrekking verkozen. Tot zijn meerderjarigheid bestuurde
moeder Engel het kleine domein als regentes, waarmee zij de eerste vrouw is,
aan wie sinds 1700 de zorg voor de lantaarn van IJdoorn werd toevertrouwd.
Durgerdam.
De Waterlandse zeedijk heeft met zijn dorpen een rijke geschiedenis. Er
waren veel branden en dijkdoorbraken waarvan de laatste in 1916. In Durgerdam
leefde de bevolking aanvankelijk van de visserij en de scheepsbouw. Men bouwde
er botters, kubboten en kofschepen; deze laatste voeren op de Noord- en Oostzee
en wogen zelfs tot 220 ton.
De vissers vingen praktisch alle soorten Zuiderzeevis. s' Winters werden
schepen en materiaal gerepareerd en gingen de vissers, zodra het mogelijk was,
het ijs op om "bot te kloppen".
In een gevelsteen op het voorportaal van de Durgendamse kerk is de geschiedenis
vastgelegd van vader Bording en zijn twee jonge zonen die in 1849 veertien
dagen lang op een ijsschots dreven, op de getijdestroom tijdens het uitoefenen
van hun beroep.
Het zeedijkdorp heeft in de loop van de eeuwen veel veranderingen ondergaan,
ook in de benaming. Zo werd het dorp in de vijftiende eeuw Woerningerdam
genoemd, later Yoort, Ydoorndam, Dunkerdam en nog vele andere namen, tot aan
het huidige Durgerdam.
"De Kapel", een bijnaam van het oude "Dorpshuys" valt het
eerst op als men Durgerdam binnenrijdt. Het "Dorpshuys" wordt voor
het eerst genoemd in 1499.
Hier werden missen opgedragen, want men beschikte toen nog niet over een eigen
kerk. In 1687 werd de afgebrande Kapel vervangen door het huidige gebouw, dat
het dorpsgezicht zo bepaald.
In 1621 verzochten de Durgerdammers "aan de Heren Staten van Hollandt
ende Westvrieslandt oidmoedelijck en aldervriendelijckst om op elcke tonne
swaer bier, 20 stuyvers te mogen leggen ten bate van de bouw van een kerk en
pastorie".
De toestemming kreeg men in hetzelfde jaar en in 1642 was de kerk al
gebouwd en werd begonnen met het interieur. Als eerste de preekstoel, doophuys
en doophek, die in 1644 en 1645 werden geplaatst. Schenkingen van
gebrandschilderde glas-in-loodramen volgden, in 1652 o.a. door Mark Pieterzoon
Droogh, die in 1645 een graf kocht in de kerk voor vijftig gulden. In de ramen
is de Waterlandse Zwaan te zien, welke in de omgeving in meerdere gedaantes
verwerk is. De twee koperen kronen verschenen in 1666 en in 1667 volgde nog een
derde met eveneens zestien blakers; prachtige werkstukken van het zeventiende
eeuwse geelwerkersgilde. In 1672 werd een bronzen luidklok van 82 cm doorsnede
geleverd door de beroemde klokkengieter Pierre Hemony. Deze werd meerdere malen
geluid tijdens hoog water en bij brand. Dit was o.a. het geval tijdens de grote
brand die in de nacht van 4 op 5 mei 1687 ontstond; toen brandde niet alleen de
Kapel af maar bijna alle 200 met riet bedekte houten dijkhuizen. Aangezien het
kerkje zo'n honderd meter van de dijk af stond, is het gespaard gebleven. Na de
Franse overheersing van 1795 - 1833 verviel het dorp jarenlang in grote armoede
en vanaf 1829 werd niet meer in de kerk begraven.
Het oude gebouw begon gebreken te vertonen en werd gesloopt. Op 19 maart 1840
werd de eerste steen gelegd voor een nieuwe kerk, die op 4 oktober al klaar was.
Voor het gebouw werden oude balken en stenen gebruikt. Dit gebouw staat er nog
steeds, na de nodige aanpassingen en restauraties.
In de haven van Durgerdam liggen nu geen vissersboten meer, maar
pleziervaartuigen. Van de oude geschiedenis van Durgerdam is nog wel het één en
ander te vinden.
Op de dijk voor het café "De Oude Taveerne" staat nog een houten
schandblok uit 1837 welke volgens de tekst ook nu nog af en toe voor sommige
lieden van nut zou kunnen zijn.
DE
KAS OP DE VUURGELDEN
Ter bestrijding van de financiele lasten die verbonden waren aan het in
stand houden van een keten van vuurbakens langs de Noordzeekust, voerden de
Staten van Holland en Westfriesland in december 1615 een belasting in; het
buitenvuurgeld.
Op 14 december 1662 drongen de Staten erop aan dat uit deze belasting tevens de
onkosten die door de commissarissen van pilotage gemaakt werden zouden worden
betaald.
In hun eerste ordonnantie in het Groot Placaet-boeck I "nopende het
vuyren" van 16 december 1615, bepaalden de Staten dat deze belasting
alleen gevraagd zou worden van schippers die van het zeegat van Texel gebruik
maakten om naar de Hollandse en Westfriese havensteden te zeilen. Over iedere
last die hun schip mat waren zij de kas op het vuurgeld een halve stuiver
schuldig.
In deze ordonnantie werd ook de mogelijkheid open gelaten om, wanneer ook het
Vlie met vuren bebakend zou zijn, van de schippers die via dit zeegat
binnenvoeren, hoofdzakelijk "noord-" en "oostvaarders",
vuurgeld te heffen. Zij zouden per last de helft moeten betalen, één oortje.
Toen de keten van bakens voor de Texel, maar ook die voor de Vliestroom was
voltooid, en beide van 1 september tot 1 april in werking waren, besloten de
Staten echter een nieuw tarief op het buitenvuurgeld in te voeren. Zij lieten hun
uitgangspunt varen om voor ieder zeegat een ander tarief te berekenen. Hiermee
voorkwamen zij waarschijnlijk dat schippers, onverschillig van welke
"vaart" zij terugkeerden, uitsluitend gebruik zouden maken van dat
zeegat waarvoor het laagste tarief gold.
Het nieuwe tarief hield, zoals ook het vorige, rekening met de grootte van het
schip. Het onderscheid naar "vaart" werd echter meer gesplitst. Voor
iedere "vaart" werd nu een afzonderlijk tarief ingevoerd.
Het tarief op het buitenvuurgeld.
Voor iedere last die zijn schip mat betaalde een schipper die terugkeerde uit:
|
|
1621 |
- |
1669 |
- |
1761 |
|
|
Oost- Indië |
|
8 |
|
16 |
|
stuiver |
|
de Levant |
|
6(a) |
|
12(a) |
|
stuiver |
|
de Straat |
|
5(a) |
|
10(a) |
|
stuiver |
|
Guinea |
|
5 |
|
10 |
|
stuiver |
|
West-Indië |
|
5 |
|
6 |
|
stuiver |
|
Spanje, Portugal, Barbarije |
|
2 |
|
4 (a) |
|
stuiver |
|
Moskou, Groenland |
|
2 |
|
4 |
|
stuiver |
|
uit het westen: Frankrijk, Engeland, Schotland, Ierland |
|
1 |
|
2 |
|
stuiver |
|
uit het oosten: Denemarken, Noorwegen, Zweden |
|
½ |
|
1 |
|
stuiver |
|
alle schepen die met zout geladen waren |
|
½ |
|
2 |
|
stuiver |
Iedere schipper bezat het recht om het vuurgeld dat hij had betaald, te
verhalen op de Koopluyden, Factooren, ofte Bevrachters voor wie hij
lading had vervoerd na advenant yeders ingeladen goederen (e.e.a. vastgelegd
in de al eerder gesiteerde Ordonantie uit 1615).
In de vernieuwde ordonnantie werden alle schippers die met hun schip via Texel
of 't Vlie waren binnengelopen, verplicht hun vuurgeld te betalen “ter
plaatse daar deselve lossen” in het Noorderkwartier. Uitdrukkelijk werd
bepaald dat ook de schippers, die alleen de rede van Texel of 't Vlie aandeden,
tot bepaling verplicht waren. Aan de ontvanger-generaal te Amsterdam werd
opgedragen om de inning van de gelden in de praktijk te regelen. Het vernieuwde
tarief bleef tot 1 januari 1669 van kracht.
Toen verdubbelden de Staten de tarieven voor een periode van drie jaar, onder
druk van Amsterdam. De kas op het vuurgeld vertoonde namelijk ernstige
tekorten.
Enkele vaarten vielen buiten deze maatregel. Deze termijn werd met nog eens
drie jaar verlengd, waarna het verdubbelde tarief tot 1761 ongewijzigd
gehandhaafd bleef.
Voor de tekorten van de kas werden in de zeventiende eeuw vooral de elkaar in
snel tempo opvolgende zeeoorlogen verantwoordelijk gesteld. De scheepvaart
stond stil of was gedurende lange tijd veel minder intensief. Terwijl de
inkomsten van de kas daalden gingen de uitgaven echter door, want de vuren
bleven, voor zover de oorlogsomstandigheden dit toelieten, branden.
Als bezuinigingsmaatregel werd reparatie en onderhoud aan installaties
uitgesteld. Daardoor waren uiteindelijk echter reparaties aan vuurbakens en
koolschuren nodig die met hoge kosten gepaard gingen. Deze informatie staat
beschreven in het Extract uit de Resoluties van de Vroedschap van Amsterdam,
d.d. 17 november 1668 en in de Resolutie van de Staten van Holland en
Westfriesland, d.d. 25 april 1685.
De Staten zochten in 1669 dus de oplossing voor de financiële problemen van de
kas in een tijdelijke verhoging van het vuurgeld.
Dirck van Oudshoorn, commisaris van de pilotage en ontvanger generaal van het
vuurgeld, stelde daarnaast op 22 juli 1676 voor om ook een ambtenaar aan te
stellen die tot taak zou hebben de schepen te inspecteren op lengte, holte en
wijdte. Hij had namelijk opgemerk dat: "de Schippers de Charter van
haar Scheepen, daar uit lasten moeten worden gereekent, zoo klijn aangaaven,
dat zommige niet meer als een vyfde, en zommige een vierde part, en de zommige
een derde part quaamen te betaalden, ende dat als by Exempel een schip 't huis
gekoomen zynde naar de grootte zyner lasten, moest betaalen de Somme van
hondert guldens, het zelve Schip niet meer als twintig, vyf en twintig a dertig
Guldens ten hoogsten betaalde, ja dat zelve Schip weederomme uit gevaaren zynde
ende zes a zeeven maanden daar naar wederomme 't huis gekoomen zynde, zig
zelven veel klynder maakte als het voorgaande reyse geweest was" (uit
de Resolutie om te examineeren wat ordre gestelt zoude dienen om des te
beeter te kunnen doen betaalen 't vuyrende Baakengeld, d.d. 22 juli 1676).
Van Oudshoorn meende dat het voorkomen van deze fraude een reële bijdrage zou
leveren aan het opheffen van het tekort van zijn kas. Misschien was zijn
voorstelling van zaken wat aan de sombere kant om de noodzaak van zijn wens
kracht bij te zetten. Toch moet er rekening mee worden gehouden dat de
opbrengsten aan buitenvuurgeld veel hoger hadden moeten zijn.
In het begin van de achttiende eeuw werden aan de inkomsten uit het
buitenvuurgeld die van het binnenvuurgeld toegevoegd.
De inkomsten uit de twee belastingen, zowel als de uitgaven voor de twee
groepen vuurbakens werden als een geheel in jaarlijkse afrekeningen aan de
Staten voorgelegd.
Bij het vaststellen van de hoogte van het tarief voor het binnenvuurgeld kozen
de Staten uiteindelijk voor een tarief waarmee alleen de uitgaven voor het in
bedrijf houden van de bakens zou worden gedekt. Met een hoger tarief hadden ook
de investeringen voor de bouw van de binnenvuren gefinancierd kunnen worden,
maar hiermee wilden de Staten de binnenvaarders niet belasten. Waarschijnlijk
niet omdat de kas op het vuurgeld rond 1700 zelf nog een reserve van ƒ 20.000,-
had. In het advies van de commissarissen van pilotage, d.d. 21 september 1699,
rekenden de comissarissen de Staten voor dat: "indien men dan de
grootste (dat zijn schepen boven de twaalf last) dede betaalen jaerlyks
twee en dertig stuyvers: ende klyndste zestien stuivers: soo soude men
ontvangen jaerlyx tweeduysend en driehondert gulden 't geen een suffisante
somme was om deze ligten te onderhouden". Wilde men naast het
onderhoud ook de kosten van de bouw door de opbrengst van de belasting vergoed
zien, dan moest men, zo stelden de comissarissen voor, voor vaartuigen boven de
twaalf last twee gulden vragen en voor die onder de twaalf last een gulden.
De Staten waren wel bereid om de helft van de stichtingskosten tot een maximum
van ƒ 8000,- op zich te nemen.
Er is in 1703 door de ontvanger-generaal Mr. Cornelis van Aerssen een subsidie
van ƒ 8000,- ontvangen voor de bouw van de vuurboeten aan de Zuiderzee volgens
de Resolutie.
Het uitgangspunt voor het vaststellen van het tarief op het binnenvuurgeld was
dus dat degenen die van de voorzieningen profiteerden haar ook in stand moest
houden. Daarom bepaalden de Staten van Holland en Westfriesland in hun
resolutie van 26 november 1699 uitdrukkelijk dat alle schippers, of zij nu “Inlanders
of Vreemde” waren, van “alle binnen-landsche Vaartuygen die de Zuyder
Zee bevaaren” deze belasting moesten betalen. Buiten deze regeling vielen
de schippers van schepen die van de zeegaten gebruik hadden gemaakt en
buitenvuurgeld hadden betaald.
Op voorstel van de commissarissen hieven de Staten geen uniform tarief. Voor
schepen die meer dan twaalf last maten zou per jaar 32 stuivers betaald moeten
worden, voor schepen onder de twaalf last zestien. Tussen binnenvaarders en
vissers werd t.a.v. het tarief geen onderscheid gemaakt. De "lasten"
voor binnenschepen werden op 3600 geschat, de "buitenlasten" op 4000
volgens het Advies van het "College van Pilotage", d.d. 3 december
1789 en de Resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland, d.d. 3
december 1790.
Dit binnenvuurgeld zou door de schippers voldaan kunnen worden te Sparendam,
Amsterdam en alle Noord-Hollandse steden.
Een nadere regeling werd echter opgedragen aan de commissarissen van pilotage;
de ontvangst van de belasting zelf aan de commissaris van Amsterdam: de
ontvanger-generaal.
In 1702 verduidelijkten de commissarissen de bepaling over de schippers die
betaling van het binnenvuurgeld schuldig waren door de toevoeging dat “allde
smakshepen dewelke om de Klyne Oost vaaren tot Hamburg toe, ende Yder incluis
en de waterschepen ofte gierdryvers” het binnenvuurgeld moesten voldoen.
Alleen voor vissers met zeer kleine schuitjes werd een uitzondering gemaakt.
Mr. J. Hop, ontvanger-generaal van de vuurgelden klaagde bij Staten van Holland
en Westfriesland op 3 mei 1773, dat "sedert eenigen tyd veele Vriesche,
Groninger en andere Scheepen geweigert hadden sig (aan betaling van binnenvuurgeld) te onderwoen onder pretext quasi
dat wel eens een reis na Hamburg en soo als men het noemt om de kleine Oost
hadden gedaan en dat vervolgens niet voor Binnen-landsch- maar voor
Buitenlandsch vaarders moesten worden gehouden niet tegenstaande verscheidene
van deselve jaarenlang binnen vaaren en heen en weeder sworven sonder in die
tusschentyd immers buiten Gaats te koomen". In hun Resolutie
van 2 juli 1773 bekrachtigden de Staten hun omschrijving van degenen die aan
het binnen-vuurgeld moesten meebetalen van 26 november 1699 en de Resolutie van
de comissarissen van pilotagee van 10 januari 1702 door te verklaren dat "onder
de benaming van Binnenlandschvaarders die tot onderhoud van de Zuyder Zeevuuren
(....) moeten contribueeren meede begreepen moeten worden alle soodanige
Scheepen om de kleine Oost vaarende tot Hamburg ende Eyder incluis als elders
die niet kunnen bewysen binnen een jaar Buiten-Vuurgelden betaald te
hebben".
Als bewijs van betaling onvingen de schippers een vuurlood: een groot
vuurlood voor schepen boven de twaalf last, een klein vuurlood voor
schepen minder dan twaalf last.
In hun Resolutie van 26 november 1699 gaven de Staten van Holland en
Westfriesland de commissaris van pilotage te Amsterdam: Nicolaes Witsen,
opdracht een voorlopige regeling te treffen voor het innen van de
binnenvuurgelden. Na een jaar moest hij over zijn bevindingen rapport
uitbrengen. Aan de hand hiervan zou dan een definitieve regeling opgesteld
worden.
In eerste instantie was Witsen van plan als betalingsbewijs de binnenschippers
kwitanties te geven.
Op 6 december 1701 wordt aan Jan Riewertsz ƒ32:18:- betaald voor het drukken
van 5000 kwitanties en 500 "notificatiebiljet". Witsen stapte
van dit systeem af.
Op 10 januari 1702 werd in een Resolutie van de comissarissen van pilotage de
definitieve regeling bekend gemaakt. De schippers zouden een duurzamer
betalingsbewijs ontvangen: een vuurlood.
In 1703 en 1704 verschijnen in de afrekening van de ontvanger-generaal uitgaven
voor het ontwerpen, gieten en slaan van de stempels en loden.
In het archief van de Commissarissen van Pilotage, opgesteld ter afrekening met
de Staten van Holland, is te vinden wie de stempelsnijders van deze vuurloden
geweest zijn.
In deel VII van voornoemd archief, bevattende "Stukken betreffende het
beheer van den ontvanger-generaal" staat onder no. 127, gedateerd 1703, de
volgende aantekening: Aen Johannes Enschede wapensnijder voor 't (ver)anderen
van een stael stempel 't snijden van seven jaren datums tot den jaere 1710 int
Chuys (idem) nog 't wapen van Amster(dam) om kleyne lootjes daer te
slaen te samen volgens Reek : en quitantie 8:4-.
Aen Koenraet Koenraetsz voor 't gieten en slaen van zeven (hond(erd) looden a
twee duyten 't stuk 8:15:-.
Onder no. 128 van bovengenoemd archief, gedateerd 1704, staat te lezen:
"Den Coenraet Coenraetsz voor 't inventeeren vande stempel tot de
lootjes mitsgades reyskosten en 't make van de loden 50:-
Den de selve voor 702 lootjes gemaakt 8:14:12"
Ontvanger-generaal van de Commissarissen van Pilotage was in deze tijd
Nicolaas Witsen.
In 1702, 1703 en 1704 blijkt ook volgens deze afrekening via Jacob Deyl
vuurloden naar o.a. Hoorn, Zaandam en Durgerdam gebracht te zijn.
Op 11 januari 1706 werd Jacob Deyl een bedrag van ƒ33:2:8,- betaald voor het
verzenden van in totaal 3180 vuurloden naar de diverse plaatsen waar de
binnenschippers hun vuurgeld betaalden.
Ook de afrekening uit 1756 en die uit de periode 1777 t/m 1795 bevatten per
jaar posten voor uitgaven voor de verzending van de vuurloden. Men treft,
behalve in 1701, geen posten aan voor het drukken van kwitanties. De opmerking
in de "Tegenwoordige Staat" deel XVIII blz. 576, dat vanaf het begin
als betalingsbewijs een lood werd uitgerijkt "ten bewyze dat zy, in het
jaar, 't welk de Penning aanwees, dit Regt voldaan hadden: doch nu (= 1750) wordt er een schriftelyk Bewys
of een Merk voor voldoening gegeven" lijkt niet met de
dagelijkse praktijk overeen te komen.
In het Rijks-museum Nederlands Scheepvaart Museum bevinden zich vuurloden die
het jaartal 1796 dragen.
Opmerkelijk aan deze vuurloden is dat zij naar hetzelfde stempel geslagen zijn
als de zilveren gedenkpenning ter herinnering aan de eerste steenlegging voor
de drie vuurbakens in de Zuiderzee op 3 juni 1700 door Jan Witsen.
Deze penning bevind zich in de collectie van het Teyler 's Genootschap te
Haarlem. Op de zijkant staat gegraveerd "Jan Witsen: L:Brsoon heeft D:
eerst steen gelijt door belijt van D.Hr N. Witsen Ao 1700 den 3 Junij."
Tegen het midden van de achtiende eeuw zijn er tekenen die wijzen op
moeilijkheden bij de kas op de vuurgelden.
De ambtenaren die verantwoordelijk waren voor de inning van het buitenvuurgeld
op de Texel- en de Vliestroom pasten de voorschriften strakker toe. Ook raakte
Mr.W. Munter, de ontvanger-generaal, in conflict met de V.O.C. over de wijze
van berekening van het aantal lasten van de schepen van de Compagnie. Hij
meende dat de gehanteerde berekening te lage uitkomsten en dus inkomsten gaf,
waardoor zijn kas benadeeld werd. Hij klaagde in 1750 ook dat zijn kas door “de
noodsaakelyke swaare reparatien aan de oude, en het stellen van nieuwe Werken,
mitsgaders de duurte der koolen en het mindere rendement van het Vuurgeld
zeedert enigen tijd” tekorten vertoonde.
Een besluit welke een oplossing zou brengen voor de financiële problemen bleef
voorlopig echter uit. Pas in 1762, nadat J. Hop weer had gewezen op de
jaarlijkse tekorten, besloten de Staten de verdubbelde tarieven van het
buitenvuurgeld uit 1669 voor een periode van drie jaar met een derde te
verhogen. Zij meenden dat deze tijdelijke verhoging voldoende zou zijn, omdat
de tekorten eigenlijk te wijten waren aan “extraordinaris toevallen
van vernieuwingen of reparatien aan de Baakens of excessive duurte van Koolen
en andere incidenten”. Uitdrukkelijk bepaalden zij dat “die belastin-gen
op de Commercie niet langer zou behooren te duuren” dan nodig was.
Na afloop van de drie jaar bleek de situatie niet verbeterd. De Staten gaven
daarom toestemming om de verhoging met een termijn van zes jaar te verlengen.
Tot 1795 werd de tijdelijke verhoging steeds opnieuw bekrachtigd.
De klachten van Mr. Munter en van J. Hop waren verre van ongefundeerd. Het in
stand houden van de vuurbakens in de achtiende eeuw maakte kostbare ingrepen
nodig welke zwaar drukten op het financieel draagvermogen van de kas. De
buitenvuren met de bijbehorende kolenschuren moesten regelmatig verplaatst
worden, omdat zij door de afslag van de kust in zee dreigden te verdwijnen.
Grote bakens moesten worden opgericht omdat markante herkenningspunten langs de
kust, zoals kerktorens, om dezelfde reden verdwenen.
Aan de binnenvuren moesten kostbare voorzieningen worden getroffen, omdat de
paalworm de houten beschoeiïngen en wierdijken aantastte.
Ook stegen de uitgaven door de verlenging van het stookseizoen en de toegenomen
prijs van de kolen.
De eerste jaren van de Vierde Engelse Zeeoorlog vormde natuurlijk voor de kas
een dieptepunt. De ontvanger-generaal J. Hooft waarschuwde op 27 maart 1781 de
Staten dat de scheepvaart en dus de ontvangst van het buitenvuurgeld stilstond.
De uitgaven namen daarentegen van dag tot dag toe, want de oorlogstoestand deed
de prijs van de kolen stijgen terwijl hun verbruik niet afnam, omdat de vuren
pas gedoofd werden wanneer de vijand zich op de kust vertoonde. In een brief
van de ontvanger-generaal Warin (1777-1781) aan de Pensionaris Berckel schreef
deze dat :"de Cas der Vuur-gelden soo door de duurte van Koolen, als
door Extra ordinaris sware Kosten aan Zeeweringen als door de plage der wormen
is agter uyt gegaan".
De Staten besloten daarop de “Ontfanger Generaal der Vuurgelden op zyn
daar toe te doene versoek te subsidieeren by ordonnantien uit 's lands Cas met
zodanige Som van penningen als deselve ontfanger zal aantonen nodig te hebben
om het Comptoir aan Zyne Administratie toevertrouwd gaande te houden”.
Het opvallende aan deze Resolutie is dat een soort principebesluit
werd genomen, waar de ontvanger-genereaal zijn verzoek om steun op kon baseren,
zonder dat door de Staten de hoogte van het bedrag of de geldigheidsduur werd
aangegeven. Zij gaven dus dus blijkbaar de voorkeur aan het verlenen van subsidie
aan de Commercie in plaats van aan het nogmaals verzwaren van haar
lasten door het weer verhogen van het buitenvuurgeld.
De ontvanger-generaal ontving tot en met 1790 ieder jaar belangrijke sommen uit
de staatskas.
Dit waren de volgende bedragen: 1782 ƒ50000:-, in 1783 ƒ25000:-, in 1784
ƒ18000:-, 1n 1785 ƒ15000:-, in 1786 ƒ10000:-, in 1787 ƒ5000:-, in 1788 ƒ8000:-,
in 1789 ƒ20000:- en in 1790 ƒ12000:-.
Waarschijnlijk mede op aandringen van de Staten bleven de commissarissen zich
echter bezinnen op maatregelen die een einde konden maken aan het chronisch
lijkend tekort. In december 1789 stelden zij de Staten voor om het
binnenvuurgeld, dat vanaf haar eerste heffing bijna een eeuw geleden ongewijzigd
was gebleven, te verdubbelen. De commissarissen hadden namelijk geconstateerd
dat zeker de afgelopen 25 jaar de opbrengst van het binnenvuurgeld onvoldoende
was geweest om de kosten van het in bedrijf houden van de bakens in de
Zuiderzee te financieren. Zij rekenden de Staten voor dat de grotere opbrengst
een aanmerkelijke verlichting van de financiële problemen met zich mee zou
brengen. Daarnaast oordeelden zij deze verzwaring van lasten zo gering dat daar
niet “met eenige grond over geklaagd kon worden vooral niet als men in
aanschouw neemt dat visschers van Zeedorpen tot hunne Vuuren wel ƒ9:- of ƒ10:-
's Jaars moeten fourneeren”. Een verhoging van het binnenvuurgeld had ook
het voordeel dat zij nauwlijks de Commercie bezwaarde omdat zij niet
direkt doorberkend kon worden aan Koopluyden, Factooren ofte Bevrach-ters.
De Staten namen het voorstel om het binnenvuurgeld te verhogen over. Vanaf 1
januari 1791 moesten “de Eigenaars of Schippers van alle Schepen, Jachten en
Vaartuigen onder wat benaaming dezelve ook zouden mogen voorkomen de Zuider-Zee
bevaarende en van de Lichten kunnende profiteeren, by aldien dezelve niet
kunnen aantoonen binnen het loopende jaar buiten gevaaren en aan het
Buitenvuurgeld gecontribueerd te heben” ƒ4:10:- betalen aan binnenvuurgeld
wanneer hun schip twaalf lasten of meer mat en ƒ2:5:- wanneer hun schip minder
dan twaalf last mat.
De “Waterscheepslieden van Pampus als mede de Loots- of Visserschuiten en de
zig met Visvaarten geneeren” bleven het oude tarief betalen.
Deze verhoging betekende niet een verdubbeling zoals de commissaissen hadden
voorgesteld maar bijna een verdrievoudiging van het oude tarief. De
binnenschippers moesten waarschijnlijk compenseren wat de kas tekort dreigde te
komen doordat de vissers van de verhoging werden vrijgesteld.
Zou de ontheffing tot betaling van het nieuwe tarief, welke vooral voor de
vissers op de Zuiderzee een voordeel was, niet een aanwijzing kunnen zijn dat
hun financiële draagkracht, in vergelijking met de binnenschippers, sinds een
eeuw was achteruitgegaan? Een andere conclusie kan zijn dat deze tak van
visserij zich in moeilijkheden bevond?
De opbrengst van het verhoogde binnenvuurgeld blijkt in 1791 net voldoende om
de inkomsten en uitgaven van de kas in evenwicht te brengen.
In 1792 was er weer een tekort dat in 1793 nog groter was. De Staten vonden het
noodzakelijk de kas op de vuurgelden in 1794 te steunen met een subsidie van
ƒ15000:-.
Bruto ontvangst van het binnenvuurgeld.
|
Jaar |
Amsterdam |
Haarlem |
Hoorn |
Enkhuizen |
Medemblik |
Monnikkendam |
Zaandam |
Durgerdam |
Muiden |
Edam |
Totaal |
|
1703 |
1717:12 |
762:8 |
288:- |
152:- |
240:- |
97:1 |
284:16 |
122:8 |
|
102:8 |
3766:13 |
|
1704 |
1724:16 |
662:8 |
251:4 |
240:- |
157:12 |
96:1 |
308:16 |
93:12 |
|
100:16 |
3635:9 |
|
1706 |
1716:- |
656:- |
224:16 |
220:16 |
184:- |
84:1 |
368:16 |
91:4 |
|
97:12 |
3643:5 |
|
1756 |
827:4 |
623:4 |
274:8 |
76:12 |
77:12 |
32:16 |
264:16 |
47:4 |
482:8 |
127:4 |
2833:12 |
|
1777 |
869:12 |
1031:4 |
228:- |
74:8 |
115:4 |
34:8 |
244:16 |
47:4 |
392:- |
192:- |
3228:16 |
|
1778 |
886:8 |
1043:4 |
232:- |
79:4 |
86:8 |
72:- |
234:18 |
47:4 |
502:8 |
160:- |
3343:14 |
|
1779 |
879:8 |
1073:12 |
192:16 |
141:12 |
60:16 |
67:14 |
262:8 |
45:12 |
449:12 |
168:16 |
3342:6 |
|
1780 |
912:16 |
1052:12 |
217:12 |
132:- |
136:- |
71:4 |
212:- |
39:4 |
420:- |
160:16 |
3354:8 |
|
1781 |
1032:16 |
989:12 |
275:4 |
105:12 |
104:- |
72:16 |
265:12 |
42:8 |
416:- |
163:4 |
3467:4 |
|
1782 |
953:12 |
949:12 |
218:8 |
141:12 |
104:16 |
59:4 |
205:12 |
43:4 |
410:8 |
151:4 |
3237:12 |
|
1783 |
925:12 |
1112:16 |
247:4 |
123:4 |
106:8 |
79:4 |
228:- |
32:16 |
327:4 |
155:4 |
3337:12 |
|
1784 |
1038:12 |
996:- |
224:16 |
99:4 |
90:8 |
71:4 |
244:- |
37:12 |
425:12 |
152:- |
3379:8 |
|
1785 |
1216:8 |
942:8 |
235:4 |
149:12 |
72:16 |
76:16 |
234:8 |
22:8 |
326:8 |
187:4 |
3463:12 |
|
1786 |
1141:- |
968:16 |
285:12 |
168:- |
85:12 |
69:12 |
228:16 |
43:4 |
332:- |
173:12 |
3496:4 |
|
1787 |
1104:16 |
820:16 |
273:12 |
148:- |
112:16 |
69:12 |
220:16 |
54:8 |
365:12 |
172:16 |
3343:4 |
|
1788 |
1094:8 |
928:16 |
316:- |
72:- |
116:16 |
98:8 |
258:6 |
25:12 |
306:8 |
178:8 |
3395:2 |
|
1789 |
1272:- |
855:4 |
257:12 |
374:8 |
51:4 |
76:- |
216:- |
55:4 |
265:12 |
149:12 |
3572:16 |
|
1790 |
1140:- |
891:4 |
263:4 |
446:8 |
73:12 |
66:8 |
195:- |
27:4 |
447:4 |
166:8 |
3716:16 |
|
1791(*) |
4373:10 |
2625:5 |
557:- |
802:15 |
218:5 |
217:17 |
666:16 |
69:- |
1226:6 |
408:15 |
11165:9 |
|
1792(*) |
4398:11 |
2480:6 |
571:- |
911:3 |
278:- |
234:3 |
666:- |
94:14 |
1167:18 |
378:10 |
11180:5 |
|
1793(*) |
4141:5 |
2447:3 |
485:17 |
752:- |
246:17 |
207:5 |
686:5 |
129:2 |
1243:1 |
361:6 |
10700:1 |
|
1794(*) |
3679:17 |
2743:11 |
546:4 |
783:- |
193:10 |
212:12 |
542:5 |
94:8 |
1167:17 |
363:14 |
10326:16 |
(*)= De opbrengst van het binnenvuurgeld is vanaf 1791 met de factor 2,8 vermeerderd, m.u.v. de vissersvaartuigen.
De bruto-ontvangst v.h. binnenvuurgeld afgerond op guldens met index-cijfer
|
Jaar |
Bedrag |
Index |
Jaar |
Bedrag |
Index |
Jaar |
Bedrag |
Index |
||
|
1703 |
3767 |
100 |
1767 |
3261 |
87 |
1782 |
3238 |
86 |
||
|
1704 |
3635 |
96 |
1768 |
3212 |
85 |
1783 |
3338 |
89 |
||
|
1706 |
3643 |
97 |
1769 |
3288 |
87 |
1784 |
3379 |
90 |
||
|
1755 |
3028 |
80 |
1770 |
3298 |
88 |
1785 |
3464 |
92 |
||
|
1756 |
2834 |
75 |
1771 |
3254 |
86 |
1786 |
3496 |
93 |
||
|
1757 |
3045 |
81 |
1772 |
3333 |
88 |
1787 |
3343 |
89 |
||
|
1758 |
3122 |
83 |
1773 |
3323 |
88 |
1788 |
3395 |
90 |
||
|
1759 |
2989 |
79 |
1774 |
3136 |
83 |
1789 |
3573 |
95 |
||
|
1760 |
3154 |
84 |
1775 |
3068 |
81 |
1790 |
3717 |
99 |
||
|
1761 |
2907 |
77 |
1776 |
2994 |
79 |
1791 |
11165 |
296 |
||
|
1762 |
3014 |
80 |
1777 |
3229 |
86 |
1792 |
11180 |
297 |
||
|
1763 |
3205 |
85 |
1778 |
3344 |
89 |
1793 |
10700 |
284 |
||
|
1764 |
3111 |
83 |
1779 |
3342 |
89 |
1794 |
10327 |
274 |
||
|
1765 |
3274 |
87 |
1780 |
3354 |
89 |
|
||||
|
1766 |
3149 |
84 |
1781 |
3467 |
92 |
|
||||
De jaren 1755 en 1757 tot en met 1776 zijn gebaseerd op: "nota van den Ontvang en Uytgave voor de Binnen Vuurgelden".
Uitgerijkte vuurloden in de jaren 1792, 1793 en 1794
|
|
in 1792 |
in 1793 |
in 1794 |
|||||||||
|
|
groot |
klein |
groot |
klein |
groot |
klein |
groot |
klein |
groot |
klein |
groot |
klein |
|
|
vuurlood |
vislood |
vuurlood |
vislood |
vuurlood |
vislood |
||||||
|
Amsterdam |
897 |
156 C |
0 |
11 |
848 |
141 |
0 |
10 |
742 |
149 |
0 |
7 |
|
Haarlem |
531 |
40 |
0 |
1 |
520 b |
45 |
4 |
5 |
600 |
19 |
0 |
2b |
|
Hoorn |
97 |
38 |
1 |
48 |
85 |
31 |
1 |
40 |
89 |
43b |
3 |
58 |
|
Enkhuizen |
94 |
110 |
0 |
299 |
78 |
84 |
0 |
265 |
81 |
74 |
71 |
174 b |
|
Medemblik |
45 |
30 |
0 |
10 |
36 |
31 |
0 |
2 |
29 |
28 |
0 |
0 |
|
Monnikendam |
26 |
19 |
19 |
56b |
17 |
19 |
18 |
74 |
21 |
18 |
18 |
61 |
|
Zaandam |
130 |
36 |
0 |
0 |
127 |
51 |
0 |
0 |
-- |
-- |
0 a |
0a |
|
Durgerdam |
12 |
6 |
0 |
34 |
19 |
8 |
0 |
32 |
12 |
8 |
0 |
28 |
|
Muiden |
221 |
28 |
1 |
136 |
246 |
21 |
0 |
111 |
229 |
23 |
0 |
107 |
|
Edam |
49 |
24 |
0 |
130 |
46 |
22 |
0 |
131 |
49 |
16 |
0 |
134 |
|
Totaal |
2102 |
487 |
21 |
725 |
2022 |
453 |
23 |
670 |
--- |
--- |
92 |
571 |
Opmerkingen:
a: Omdat in Zaandam in 1792 en 1793 geen groot en klein vislood uitgerijkt werd
verondersteld dat dit in 1794 ook niet is gebeurd.
B: Na omrekening met het verschuldigde tarief stemmen de verkregen
jaaropbrengsten per plaats van inning overeen met de jaaropbrengsten uit de
"Generalen Reekening", met uitzondering van:
C: Amsterdam 1792: hier werd het bedrag voor één klein vuurlood teveel betaald.
Haarlem 1793: hier ontbreekt het bedrag voor één groot vuurlood.
1794: hier ontbreekt het
bedrag voor één klein vuurlood.
Hoorn 1792: de rekening uit 1792 geeft een bedrag van ƒ9:- meer.
1794: hier ontbreekt het
bedrag voor één klein vuurlood.
Enkhuizen 1792: het bedrag uit de rekening van 1792 is niet in overeen stemming
met het bedrag voor de uitgerijkte vuurloden.
1794: hier ontbreekt
het bedrag voor één klein vislood.
Medemblik 1793: de rekening uit 1793 geeft een bedrag van ƒ13:10 meer.
Monnikendam 1792: hier ontbreekt het bedrag voor één klein vislood.
Uit: Chronologische tafel der stukken vervat in de verzameling der wetten, besluiten en aanschrijvingen betreffende de directe belastingen en de in- en uitgaande regten en accijnsen. 1836.
(6) en (7)
(No.
92.) VUUR-, TON- EN BAKENGELDEN.
|
VRAAG: |
ANTWOORD. |
Statistische gegevens over het Paalgeld.
Het statistisch materiaal over de Nederlandse handel tijdens de Republiek
geeft maar een globaal overzicht in de ontwikkeling van de handel.
De voor naamste cijferreeksen, die van de jaarlijkse opbrengsten der Convoyen
en Licenten bij de verschillende Admiraliteiten en de daaraan ondergeschikte
kantoren, zijn uiterst ondoorzichtig.
Behalve wat Amsterdam betreft, voor een aantal jaren uit de achtiende eeuw,
zijn in- en uitvoer niet van elkaar te scheiden.
De in dit hoofdstuk gehanteerde cijfers moeten dus niet in alle gevallen voor
"waar" worden aangenomen omdat ze niet altijd op duidelijke wijze
verkregen zijn.
Het gaat om jaarreeksen met betrekking tot een heffing op de scheepvaart die
vanuit de Noordzee de Zuiderzee bereikte; het Paalgeld.
De heffing vond al in de veertiende eeuw door de stad Kampen plaats. De
opbrengst ervan diende, evenals in de latere eeuwen, voor de bekostiging van
merktekens voor de zeevarenden.
Zoals we al eerder hebben kunnen lezen heeft Amsterdam in 1527, dat al zeker
driekwart eeuw aan Kampen een jaarlijkse vergoeding had betaald voor het leggen
van tonnen in de zeegaten, het recht om Paalgeld te innen en de daaraan
verbonden taken van Kampen overgenomen.
In 1573 heeft de Prins van Oranje dat recht en die taak echter aan Enkhuizen gegeven.
Pas in 1838 is de verzorging van tonnen, bakens, enz. voor de scheepvaart door
Vlie en Marsdiep en op de Zuiderzee overgenomen door de Nederlandse staat.
Daarmee verviel de heffing van het Paalgeld door Enkhuizen.
In de Enkhuizense thesauriersrekeningen en in enkele andere bronnen uit het
gemeente archief van Enkhuizen zijn jaarlijkse opbrengstcijfers van het
Paalgeld te vinden.
Aangezien die rekeningen van vóór 1700 haast allemaal verloren zijn gegeaan,
zijn er slechts van enkele jaren uit de 17e eeuw gegevens
beschikbaar.
Voor de periode 1700 - 1836 is er gelukkig een volledige reeks aanwezig, op de
jaren 1810 - 1813 na, doordat bij de inlijving de Franse overheid de
beveiliging van de scheepvaart op zich had genomen.
De opbrengstcijfers van het Enkhuizense Paalgeld vallen uiteen in afzonderlijke
bedragen betreffende de havens aan het Vlie, het Marsdiep, de Zuiderzee en het
IJ in de provincie Holland en West-Friesland. Daarnaast zijn er enkele
opbrengsten uit de zeventiende eeuw van Harlingen vermeld. De inning van het
Paalgeld in Harlingen is in de achtiende eeuw waarschijnlijk gestaakt.
De gegevens beperken zich tot de scheepvaart vanuit volle zee naar het
Zuiderzeegebied. Jaarreeksen met betrekking tot de invoer zijn echter niet de
enige gegevens welke uit de administratie van het Paalgeld te putten zijn. Er
zijn daarin, in het bijzonder met betrekking tot Amsterdam,
"havenboeken" voorhanden, registers (uit 1742 en verder vanaf 1771)
die over ieder schip dat deze wereldhaven aandeed belangrijke gegevens
bevatten.
Er werd nog een andere belasting geheven van schepen die de Zuiderzee vanaf de
Noordzee opvoeren, namelijk het Buitenvuurgeld. In het begin van de
zeventiende eeuw is de heffing van een Vuurgeld ingesteld voor het
onderhoud van de kustvuren ten noorden van de Maas. Toen aan het eind van de
zeventiende eeuw een stelsel van kustverlichting aan de Zuiderzee werd
ingericht, kwam er een onderscheid tot stand tussen Buiten- en Binnenvuurgeld.
Het Buitenvuurgeld was de voortzetting van het oorspronkelijke Vuurgeld. Het
Binnenvuurgeld werd geheven van schepen die de Zuiderzee be-voeren zonder
buitengaats te zijn geweest. Uit het begin en het einde van de achtiende eeuw
zijn opbrengstcijfers van het Buitenvuurgeld bekend.
Het tarief en de opbrengstcijfers van het Enkhuizense Paalgeld.
De oudst bekende tarieflijst volgens welke Enkhuizen Paalgeld hief is,
ongedateerd, afgedrukt in de "Handtvesten, Privilegien, Willekeuren
ende Ordonnantien der Stadt Enckhuysen" (Enkhuizen 1667 pagina
203-205) onder de titel: "Oservantie van den ontfangh van 't
Paelgelt". Verder bestaan er afzonderlijk gedrukte
"Observanties" uit 1660, 1695, 1710 en 1747.
De inhoud van deze lijsten bestaat uit een alfabetische opsomming van goederen,
met daarnaast het toe te passen tarief dat meestal op hoeveelheid, soms op
waarde was gebaseerd.
De teksten van de verschillende "Observanties" zijn practisch gelijk.
De gedrukte Observanties van 1660 en die uit de Handvesten stemmen met elkaar
overeen, maar de Observantie van 1695 bevat heel wat minder posten. De
Observanties van 1710 en 1745 zijn gelijk en bevatten weer de posten van 1660
met nog enkele toevoegingen (in totaal ruim 180 posten). In een exemplaar van
de Observantie van 1745, die in 1824 is overlegd aan het Provinciaal Bestuur te
Haarlem zijn nog enkele posten met de hand toegevoegd, o.a. koffie en thee.
Tariefswijzigingen voor bepaalde goederen komen niet voor. Van niét vermelde
goederen werd een waardetarief van één stuiver op de 25 gulden geheven, oftewel
van 2%.
Bij uitzondering werd het Paalgeld geheven als lastgeld à twee stuivers van
schepen uit Moscovië, Groenland, IJsland, de Faròer en Lapland.
Toen het Provinciaal Bestuur in 1824 een onderzoek had laten instellen naar het
Paalgeld, bleken de genoemde "Observanties" nog te worden toegepast.
Er kan dus van uitgegaan worden dat het tarief van het Enkhuizense Paalgeld in
elk geval sinds omstreeks 1660 en hoogstwaarschijnlijk al ruim voor die tijd,
niet is veranderd.
Op twee uitzonderingen na, namelijk 1642 en 1661, zijn de thesauriersrekeningen
van Enkhuizen pas sinds 1700 bewaard gebleven. Vanaf dat jaar is de reeks
compleet.
Uit de tweede helft van de zeventiende eeuw zijn uit enkele Enkhuizense
archivalia voor enkele havens en sommige jaren ook cijfers van het Paalgeld
beschikbaar.
Hiervan zijn de jaren 1670 - 1678 en 1684 betref fende Amsterdam het
belangrijkste.
De thesauriersrekeningen bevatten elk jaar in een aparte rubriek de opbrengsten
van het Paalgeld en wel zo dat eerst het brutobedrag wordt vermeld, dan de aan
de inning verbonden kosten en tenslotte het netto bedrag. In het algemeen waren
de plaatselijke ambtenaren van de Convoyen en Licencenten met de heffing
belast. Zij ontvingen voor dit werk een vergoeding.
De bruto cijfers zijn voor alle havens in tabellen verzameld, ook van de
onbelangrijke. Het staat trouwens als een paal boven water dat Amsterdam een
gigant was in de toenmalige wereldhandel.
De grote invoer van Amsterdam zijn geen maatstaf bij de beoordeling van de
andere havens aan de Zuiderzee, waarvan de relatief geringe paalgeldcijfers wel
eens interessante schommelingen vertonen.
De havens buiten Amsterdam zijn in drie groepen verdeeld, waarvan de totalen
zijn berekend: havens in de nabijheid van Amsterdam, Westfriese havens en
havens aan Vlie en Marsdiep.
De weinige opbrengstcijfers van Harlingen worden apart vermeld en zijn niet in
het totaal opgenomen.
De schepen van de V.O.C. vormen in de thesauriersrekeningen een aparte
paalgeldpost. Van elke Oostindiëvaarder werd het vaste bedrag van 450 gulden
geheven.
Na 1794 komt in 1803 éénmaal een post voor ten laste van de Raad der Asiatische
Besittingen en Etablissementen, groot 3000 gulden.
Ook de opbrengsten uit "West-Indië" vormen een uitzonderlijke
categorie. Uit de Amsterdamse "havenboeken" over het Paalgeld blijkt,
dat met "West-Indië" meestal Amerika wordt bedoeld.
In deze bronnen wordt overigens niet de lading van deze categorie
gespecificeerd. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de inning
aan de administratie der Convoyen en Licenten was toevertrouwd, welk niets te
maken had met de Amerikaanse handel.
De registratie van de invoer uit Amerika vormt een belangrijke toevoeging aan
de kennis, die de paalgeldcijfers opleveren. De groei van die invoer tot het
begin van de negentiende eeuw toe is opmerkelijk.
In een opgaaf van het stadsbestuur van Enkhuizen, die de brutoopbrengsten van
het Paalgeld over 1801 - 1823 bevat, zijn de "Westindische" cijfers
gewoon bij de Amsterdamse inbegrepen. ("Tableau der Bruto ontvang van
Paalgelden ..." over 1801 - 1807 en 1815 - 1823). Dit is
waarschijnlijk ook gebeurd met de opbrengsten over 1661 - 1711, waarvan geen
aparte categorie "West-Indische schepen" aanwezig is. In tabel A zijn
de Amsterdamse invoeren die uit West-Indië apart weergegeven, welke de totale
invoer van de Amsterdamse haven vormt.
Hiermee is niet uitgesloten dat ook in de cijfers van andere havens
"West-Indische" vrachten schuilgaan.
De genoemde cijfers zij verwerkt in grafieken. In grafiek A is een vergelijking
gemaakt met de reeksen der Convoyen en Licenten. De subtotalen van "Buiten
Amsterdam" voor het Paalgebied zijn practisch vergelijkbaar met de totalen
der Convoyen en Licenten uit het gezagsgebied van de Admiraliteit van het
Noorderkwartier (alleen het onbetekenende Muiden en Weesp horen niet onder het
Noorderkwartier maar onder de Admiraliteit van Amsterdam).
De opbrengsten van "Amsterdam" voor het Paalgebied dienen te worden
vergeleken met de opbrengsten der Convoyen en Licenten voor het kantoor
Amsterdam.
Afgezien van het probleem welke het gevolg is van twee verschillende tarieven,
wordt de vergelijking met de cijfers der Convoyen en Licenten ook nog
bemoeilijkt doordat het Paalgeld alléén de invoer betreft. Voor Amsterdam is
het echter mogelijk voor een aantal jaren in de achtiende eeuw om dat bezwaar
te ondervangen met behulp van de uitvoercijfers van de Convoyen en Licenten
omdat hierover het één en ander is meegedeeld. Via de totalen over de
betreffende jaren zijn de invoercijfers te berekenen.
Het is opmerkelijk dat, terwijl de paalgeldreeks na 1760 op een hoger peil komt
te liggen en daar ook blijft, terwijl de invoercijfers der Convoyen en Licenten
uit de periode 1760 - 1780 niet uitgesproken hoger zijn dan daarvoor. Omdat
beide heffingen op de kantoren der Convoyen en Licenten werden geadministreerd,
kan het verschil in het beloop van de reeksen niet worden toegeschreven aan
onderling onafhankelijke tellingen van de ingevoerde goederen. Het verschil zal
dan kunnen worden verklaard uit het uiteenlopen van de twee toegepaste tarieven.
Vermoedelijk is de oplossing van het probleem te zoeken in een onevenredigheid
van de voet van heffing wat betreft de belangrijkste importgoederen bij de
Convoyen en Licenten enerzijds en een relatief evenredige verdeling van de druk
van het Paalgeld anderzijds.
Zo werd van tarwe, rogge en hout volgens het tarief van 1725 der Convoyen en
Licenten per last respectievelijk zes gulden, vier gulden en een halve gulden
betaald, maar volgens het paalgeldtarief in alle gevallen een halve stuiver.
Een daling van de graanimport zou bijvoorbeeld in de opbrengsten van de
invoerrechten der Convoyen en Licenten veel sterker doorwerken dan in die van
het Paalgeld.
Nadere studie van de voornoemde "havenboeken" zou hier meer
uitsluitsel over kunnen geven. Er kan echter gesteld worden dat de opbrengsten
van het Paalgeld de kwantiteit van de invoer beter weergeven dan de cijfers der
Convoyen en Licenten. Een voordeel is ook dat de paalgeldcijfers alleen
betrekking hebben op de invoer.
Bovendien zijn ze, in tegenstelling tot de opbrengsten der Convoyen en
Licenten, niet aan tariefswijzigingen onderhevig geweest.
Uit de paalgeldopbrengsten over 1814 - 1823 kan een indruk worden verkregen in
hoeverre de Amsterdamse haven zich heeft hersteld na de Napoleontische tijd.
In 1824 is het Groot Noordhollandsch Kanaal geopend.
Wat hiervan de invloed op de paalgeldcijfers is geweest valt moeilijk te
beoordelen.
Uit de opbrengstcijfers van het Paalgeldgebied valt ook moeilijk op te maken
hoe de samenstelling van de goederen pakketten bij de verschillende havens in
hetzelfde jaar en voor verschillende jaren in dezelfde haven zijn geweest.
Tabel A betreft de opbrengsten van het Paalgeld te Amsterdam en van schepen uit
"West-Indië", tabel B de subtotalen, voor respectievelijk havens in de
nabijheid van Amsterdam (Zaandam, Edam, Monnikendam / Nieuwendam en Weesp /
Muiden) in West-Friesland (Enkhuizen, Medemblik en Hoorn) en aan Vlie en
Marsdiep (Oost-Vlieland, Terschelling en Texel / Nieuwediep); in kolom vijf
staan de waardes voor alle havens buiten Amsterdam; in kolom zes de waardes
voor Amsterdam en "West-Indië". Vervolgens zijn de totalen van de
genoemde subtotalen vermeld en tenslotte de totalen zonder de opbrengsten uit
Amerika ("West-Indië"). De opbrengsten uit de kolommen 2, 3, 4 en 5
zijn benaderingen, omdat de opbrengsten per haven vaak moeten worden geschat.
In een aantal gevallen worden namelijk opbrengstencijfers vermeld, die enkel
achtereenvolgende jaren betreffen of die niet met kalenderjaren samenvallen.
Ook wordt het beeld wat vertekend omdat in de Enkhuizense cijfers vaak de
opbrengst van een andere heffing, namelijk het Diepgeld, is inbegrepen. Omdat
het Paalgeld in Enkhuizen relatief weinig opbracht en het Diepgeld, voor zover
is na te gaan, minder opbracht dan het Paalgeld, mag worden aangenomen dat de
trend in redelijke mate in de cijfers tot uiting komt.
In de jaren 1785, 1786, 1789 en 1790 waren de opbrengsten van het Paal- en
Diepgeld aan de hoge kant, wat in kolom drie tot uitdrukking komt.
In de grafieken valt het volgende op: de zeer grote betekenis van de
Amerikaanse invoer aan het einde van de achtiende eeuw en begin van de
negentiende eeuw, ook na 1813; de betekenis van Zaandam als haven in de
achtiende eeuw, en de hoge opbrengsten van het Paalgeld in de zeegaten (in het
be- gin van de negentiende eeuw, waarbij vooral Texel een belangrijke invloed
heeft). Ook het herstel van de Amsterdamse haven na 1813 valt op.
Wanneer de cijfers voor een bepaalde haven ontbreken is dat meestal het gevolg
van beëindiging van de heffing wegens te geringe inkomsten. Dit houdt niet in
dat de invoer in zijn geheel zou zijn gestopt, wel dat de inningskosten niet
meer uit de baten ter plaatse konden worden gedekt.
In één geval, Harlingen, is niet duidelijk of in het begin van de achtiende
eeuw de heffing is gestaakt om financiële of om politieke redenen. Het zou
namelijk mogelijk geweest kunnen zijn dat de Friese overheid niet langer bereid
was om de invordering van het Paalgeld toe te staan. Er hadden zich in het
verleden al vaker problemen hierover voorgedaan.
Het Paalgeld vormde voor Enkhuizen een bron van inkomsten, evenals voorheen
voor Amsterdam en ooit ook voor Kampen. De uitgaven voor wedden, lonen,
reparaties en materialen voor de instalaties die uit het Paalgeld onderhouden
werden, wogen bij lange na niet op tegen de inkomsten uit dit Paalgeld. In 1661
bedroegen de uitgaven 2495 gulden en in 1745 5594 gulden, oftewel
respectievelijk negen en achtien procent van de totale bruto opbrengsten van
het Paalgeld uit die jaren.
Na de Franse tijd is het niveau van deze uitgaven opvallend hoog: over 1815 tot
1818 variëert het tussen de 51 en de 85 procent van de bruto inkomsten.
Verwaarlozing van de betonning en bebakening gedurende de Franse tijd zou hier
een oorzaak van kunnen zijn.
In het Gemeente Archief van Enkhuizen worden de "havenboeken"
bewaard. In deze boeken wordt meestal het Paalgeld per schip vermeld onder
opgaaf van: datum, haven van vertrek, naam van de schipper en specificatie van
de vracht. Deze gegevens zijn belangrijker, maar ook veel bewerkelijker, dan de
reeksen opbrengstcijfers.
Ook van de vissersschepen werd Paalgeld geheven. In de thesauriersrekeningen
van Enkhuizen worden de opbrengsten hiervan niet verantwoord onder de rubriek
van de Paalgelden maar onder betalingen die afkomstig waren van het College der
Groote Visscherij. In de Archieven der Groote Visscherij bevinden zich ook de
registers van ontvangst van o.a. het Paalgeld uit de achtiende eeuw.
Opbrengsten van het Paalgeld te
Harlingen.
Jaar: Bedrag (afgerond op
hele guldens):
1642
ƒ 148
04-12-1660 / 07-12-1661 ƒ 233
1679 / 1680 ƒ 196
1699 / 1701 ƒ167
De aanstelling van een Amsterdamse bakenmeester.
13 en 15 september 1672.- "Den 13den September 1672 is
Gerret Hooft, soon van Burgemeester Hooft, met veel stribbeling ende
tegenspraeck bij den raet gemaekt pensionaris, op een tractemnet van 1200
guldens, ende den 15den derselve maend hebben Burgemeesteren, te
weeten Hooft ende Outshoorn, (alsoo in de plaets van de twee geNxcuseerde noch
geen andere van Sijne Hoocheyt waren toegesonden) gemaeckt tot baeckenmeester
Dirck de Vlaming van Outshoorn, Heer van Westerdijckxhoorn, dat (nl. het
bakenmeesterschap) 700 guldens en daeromtrent 's jaers inbrengt. (het ijsser
moet werden gesmeet, als het heet is.)"
In de vergadering van 30 Augustus 1672 hadden "Burgemeesteren den raet
gerapporteert, dat den Out-Burgemeester (Andries de) Graef heeft afgelyt de
scharge van baeckenmeester, Sijn Ed. voor deesen door Burgemeesteren bevolen,
ende dat de cas (alsoo door het verbot der scheepvaert wynich gelt incomt)
omtrent dartlich duysent guldens ten achteren is; soo sijn (Burgemeesteren)
beducht (dat zij) nimant daertoe, om in desselfs plaets te bedienen, sullen connen
uytvinden, ende oversulckx te raede geworden, (de zaak) te brengen in deesen
raet, van advys sijnde, dat (het) soude in de naeste vergaederinge (nl. van de
Staten van Holland) gebracht connen werden. Waerop den raet heeft verstaen, dat
deese stadt aen het vieren der baeckenen, tot behoudenis der scheepen, het
meeste is geleegen; dat andere steeden als Hoorn, Enckhuysen, Meedenbliq, op
soo een offitie vlammen; dat door sonderlinge sorge het vier- en baeckengelt in
oude tijden aen deese stadt is gebleeven; dat her jaerlijx omtrent de 700
guldens opbrengt aen tractement en anders; dat, tot betaelinge der
achterlijcke gelden, het vier- en baeckengeldt is verdubbelt, end tot verval
der te verschietende penningen een goede intrest werd gereeckent; dat het offitie
van alle tijden wel is begeert geweest, en van Burgemeesteren niet als met
groote solicitatie is te becoomen geweest, ja, dat Burgemeesteren dat hebben
van den anderen besoliciteert; dat Hasselaer daer heeft nae gestaen, doch
Witsen, Burgemeester sijnde, heeft geprevaleert; ende al schijnt dat offitie nu
wat schaboureus te sijn, dat evenwel Out-Burgemeesteren ofte desselfs kinderen
en naemaechschap wel te becomen sullen weesen, ende daerom het onvoorsichtich
soude sijn soo een saecke in de schoot van de vergaederinge (van de Staten van
Holland) te brengen, en burgemeesteren van een profitabel offitie af te staen.
Om hetselfde naerder te examineeren sijn gestelt de Heeren Geelvinck, Cornelis
Backer, Graeflant en Witsen".
Den 8sten September rapporteerden Geelvinck, Backer en Witsen "veer het
beste te sijn, van het begeeven derselve te houden in deese stadt, en aen de
authoriteyt van Burgemeesteren, als van outs, te laeten". "Den Heer
Hooft heeft het gegeeven aen sijn soon Gerrit Hooft", en toen deze tot
pensionaris was benoemd, kreeg de heer van Westerdyxhoorn (zie boven) het
bakenmeesterschap.
DE AMSTERDAMSE BINNENLOODSEN TIJDENS DE REPUBLIEK.
Ter verklaring van de spectaculaire uitbreiding en bloei van de handel en
scheepvaart van de Republiek in de eerste helft van de zeventiende eeuw, wijzen
historici bij voorkeur op haar gunstige geografische positie, de ligging van de
Republiek op het trefpunt van de goederenstroom uit de Baltische gebieden en de
Zuideuropese landen en aan de monding van de Rijn zouden haar havens als het
ware hebben voorbestemd om zich te ontwikkelen tot de marktplaats van de
wereld.
Te vaak vergeet men in zo'n betoog de keerzijde van de medaille te noemen. Die
geografische ligging mag dan een tijdlang gunstig zijn geweest voor de bloei
van handel en scheepvaart, maar de geografische gesteldheid van de kust, van de
verbinding van de havens met de zee en van de havens zelf was dit allerminst.
Deze kust vormde immers in het zeiltijdperk bij de overheersende westenwind de
gevaarlijke en door iedere zeeman gevreesde en vermeden "lage wal"
van de Noordzee. De problemen die deze lage wal boden, werden nog vergroot door
de reeks verradelijke zandbanken die zich er langs uitstrekte en die onder
invloed van wind, zee- en getijdestromingen voortdurend van plaats veranderde.
Ook was de route naar zee, of die nu over de Zuider- en Waddenzee voerde of
over het deltagebied van Maas en Schelde, een lastig vaarwater, moeizaam en
tijdrovend te bezeilen en door ondiepten, die zich eveneens constant verplaatsten,
vol risico's voor bemanning, schip en lading.
Zonder assistentie van een bekwame loods mocht geen schipper, die niet zeer
vertrouwd was met het vaarwater, verwachten één van de havens van de Republiek,
of omgekeerd, veilig de zee te bereiken.
De koopliedregenten van Holland beseften terdege dat hun belangen afhingen van
een goede verbinding met de zee. Zij deden veel moeite deze met de hen ter
beschikkingen staande middelen tot stand te brengen. Daartoe organiseerden zij
tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw in Holland o.a.
loodsdiensten.
Deze werden gevormd door de zogenaamde "buitenloodsen", die,
gecontroleerd door gecommiteerden van de Staten van Holland, de taak hadden de
schepen vanuit zee veilig binnen de zeegaten van de kust te brengen en de
zogenaamde "binnenloodsen", die de taak hadden de schepen vanuit de
havens naar de zeegaten te brengen. Gezien vanuit de bestuursstructuur van de
Republiek was het vanzelfsprekend, dat aan de zeesteden zelf de zorg toeviel
voor de organisatie van de binnenloodsen. Tesamen maakten deze twee groepen het
mogelijk, dat de ongunstige geografische gesteldheid van de kust van de
Republiek niet de kansen verloren deed gaan, die de gunstige geografische
positie haar handel en scheepvaart bood.
Aan de binnenloodsen van Amsterdam, verreweg de belangrijkste en drukste haven
van de Republiek, werd tot nu toe weinig aandacht besteed.
Toch brachten zij duizenden koopvaardijschepen, de kostbare retourschepen van
de V.O.C., of de zware linieschepen van de Admiraliteit van Amsterdam veilig
naar de rede van Texel of 't Vlie.
Het Amsterdamse binnenloodsengilde.
Wagenaar vertelt in zijn "Amsterdam in zijn opkomst, aanwas,
geschiedenis enz., Amsterdam 1760-1801", dat "ten dienste van
den Koophandel en Scheepvaart (...) hier ter Stede, waarschijnlijk reeds in de
zestiende eeuw opgeregt (is) een Lootsmans-Gilde".
De oudste verordeningen die men in de "Handvesten van 1630" over dit
binnenloodsgilde gepubliceerd vindt, dateren pas uit 1630.
Het zijn er twee: de ene, gedateerd 7 augustus 1630, regelde welke schepen
moesten worden beloodst en door wie; de andere, gedateerd 30 augustus 1630,
regelde het loodsloon.
De eerste verordening, die van 7 augustus, bepaalde dat alle schippers die in
Amsterdam stukgoederen hadden geladen, alleen een inwoner van Amsterdam als
loods mochten nemen. Deze verordening raakt meteen de kern van de problemen. Er
is op de eerste plaats sprake van loodsdwang: Schippers die in Amsterdam vracht
hadden geladen mochten niet zonder loods uitvaren. Hun schepen bezaten immers
de grootste diepgang en zij liepen de meeste risico's op de ondiepten van de
Zuider- en Waddenzee de kapitalen te verspelen die waren geïnvesteerd in lading, schip en verzekering.
Naar inhoud keert deze verordening in alle latere versies van de ordonnantie
van het binnenloodsgilde van Amsterdam terug. Zij wordt alleen nader
uitgewerkt.
Op 31 januari 1658 gaf het stadsbestuur de schippers die in ballast uitvoeren,
het recht zelf te beslissen of ze een loods nodig hadden.
Deze toevoeging werd op 12 september 1669 uitgebreid met de bepaling dat
schippers die naar Noorwegen en "Oosten voeren niet anders dan eygen
Reeders goed en een packje ofte sackje daer sy geen vracht voor en
genieten" evenmin een loods hoefden te nemen.
Uit deze aanvulling blijkt duidelijk de bedoeling van de kooplieden-regenten.
Zij wilden vooral de veiligheid van hun kostbare goederen tijdens het
gevaarlijke begin van de reis met zo veel mogelijk garanties omgeven. Deze
bepaling bleef tot het einde van de achtiende eeuw ongewijzigd. Aan de
verordening van 7 augustus valt verder op, dat uitsluitend loodsen die in
Amsterdam woonden, de in Amsterdam beladen schepen over de Zuider- en Waddenzee
mochten beloodsen "ende geen andere". Het Amsterdamse
stadsbestuur veranderde deze verordening op 29 januari 1643 vervolgens zó, dat
dit werk voortaan alleen mocht worden verricht door loodsen die poorter van
Amsterdam waren en lid van het Amsterdamse binnenloodsengilde. Deze verordening
richtte zich tegen de buitenloodsen: de loodsen van het platteland. Zij woonden
te Petten, Huisduinen, op Texel, Vlieland en Terschelling. Zij kenden de
scheepvaartroutes over de Wadden- en Zuiderzee evengoed als hun
collega-binnenloodsen van Amsterdam. Maar ook het Amsterdamse stadsbestuur, zoals
alle andere stadsbesturen in de Republiek, beschermde zijn poorters tegen
mededinging van niet-ingezetenen naar arbeid die binnen zijn muren,
in dit geval zijn haven was ontstaan. Ook in deze verordening weerspiegelt zich
de spanning in de economische verhoudingen tussen stad en platteland in de
Republiek. Papier is echter geduldig.
De praktijk gaf menige inbreuk op de regels te zien. Hiervan getuigen de reeks
resoluties die de Commissarissen van Pilotage benoorden de Maze moesten
uitvaardigen in de periode 1700 tot 1780.
Het College van Commissarissen van de Pilotage benoorden de Maze was op 19
december 1615 door de Staten van Holland opgericht om toezicht te houden op de
buitenloodsen en hun werk in voorschriften te regelen. In dit College werd één
vertegenwoordiger benoemd uit elk van de toen belangrijke zeesteden: Amsterdam,
Hoorn, Enkhuizen en Medemblik.
In deze resoluties trachtten zij de buitenloodsen, die onder hun gezag vielen
(ten overvloede) duidelijk te maken, dat het hun verboden was "eenige uytgaande
Scheepen van voor de commercieerende Steeden aan te nemen, om die naar beneden
te brengen".
Met de andere verordening uit augustus 1630 regelde het Amsterdamse
stadsbestuur het loodsloon van zijn binnenloodsen. Met deze maatregel
schakelden zij het marktmechanisme van vraag en aanbod uit, dat tot dan de
prijs ervan had bepaald. Het gesteggel tussen schippers en binnenloodsen met
zijn nasleep van ruzies was voorbij.
Met deze maatregel schiepen de Amsterdamse kooplieden-regenten orde en
zekerheid in een kostenfactor van een dienstverlening die voor hun haven en
overzees handelsverkeer van zo'n groot belang was.
Het Amsterdamse stadsbestuur volstond in 1630 met een enkelvoudige tariefschaal
voor de regeling van de beloning. Dat is merkwaardig, omdat de buitenloodsen al
meer dan tien jaar werkten met tariefschalen die naar seizoen en vaargebied
waren onderscheiden. Tenslotte ging ook het Amsterdamse stadsbestuur deze
factoren verwerken in het loodsgeldtarief, maar van enige coördinatie tussen
zijn maatregelen en die van het College van Commissarissen van Pilotage
benoorden de Maze op het gebied van de beloning valt dan, maar ook later, niet
veel te bespeuren.
In dit verband is ook het feit opmerkelijk dat de Amsterdamse magistraat pas
vijftien jaar na de publikatie van de eerste ordonnantie op de dienstverlening
van de buitenloodsen van de zeegaten van het Noorderkwartier overging tot het
uitvaardigen van een ordonnantie, die de dienstverlening van zijn binnenloodsen
regelde.
In het College van Commissarissen van Pilotage benoorden de Maze, die de eerste
ordonnantie voor de buitenloodsen opstelde, zat toch ook een burgemeester
Witsen van Amsterdam, die zo'n groot belang hechtte aan een goede bebakening
van de vaarroute naar Amsterdam, dat hij uit eigen zak de oprichting en het in
bedrijf stellen van een vuurbaak op Urk bekostigde.
In de loop van de achttiende eeuw groeide echter de samenwerking tussen
Amsterdam en het College van Commissarissen